EERSTE NACHT

by Anonymous · from Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Eerste deel

fairy tale moral tale hopeful Ages 8-14 6950 words 31 min read
Cover: EERSTE NACHT

Adapted Version

CEFR A1 Age 5 558 words 3 min Canon 75/100

Once, a kind merchant lived in a desert. He loved to travel. He rode his horse far away. He had dates to eat. He had water to drink. The sun was very hot. The sand was very hot too. He saw some tall trees. He saw cool water. "I will rest here," he said. He was very happy.

The Kind Merchant sat down. He ate his sweet dates. He threw the pits away. He did not see anyone. But a small spirit boy was there. The spirit boy was not seen. A date pit hit the spirit boy. It hurt him very much. The Kind Merchant did not know. It was a mistake. He did not mean it.

Then the ground shook. A big cloud of sand rose up. The Big Desert Spirit came! He was very, very big. He was very, very angry. His voice was loud like thunder. "You hurt my son!" he said. "I will punish you!" He was very scared. He fell to his knees. "I am sorry!" he said. "I did not see your son." "I did not mean to hurt him." But the Spirit shook.

"You must pay!" he said. The Kind Merchant begged. "Please wait!" he said. "Let me go home." "I have loved ones there." "I will say bye." "I promise to return." "One year, please."

The Spirit thought. "Go now," he said. "Come back in one year." "Or I will find you." The Kind Merchant went home. He was very sad. He saw his loved ones. He told them bye. He waited one year.

One year passed. The Kind Merchant returned. He went to the spring. He kept his word. He was brave now. He waited for the Spirit.

A man came. He was very old. He had a deer. He sat with the merchant. Then another man came. He was old too. He had two dogs. He sat with them.

A third man came. He was old too. He had a mule. He sat with them. They were all there.

The ground shook. The Spirit came back. He was still angry. He looked at the merchant. "I will punish you!" he said. The first old man spoke. "Wait, Big Spirit!" he said. "I will tell a story." "It will make you happy." "Let the merchant be free."

The old man told a story. It was about a lost bird. He helped the bird fly. He was very kind. The Spirit listened. He was less angry now. "The merchant is a bit free."

The second old man spoke. He told his own story. It was about sharing food. He gave food to a fox. He was very kind too. The Spirit listened close. He smiled a little bit. The Spirit was happier. "The merchant is more free."

The third old man spoke. He told the best story. It was about a lost child. He helped the child home. He was brave and kind. The Spirit loved this one.

The Spirit was very happy. He smiled a big smile. "You are free!" he said. Then he went away. He was gone now.

The Kind Merchant thanked them. "Thank you, good men!" he said. The old men waved bye. The merchant went home. He saw his loved ones. He was very happy. He lived a long life. He was always kind.

Original Story 6950 words · 31 min read

EERSTE NACHT.

Cover

DE KOOPMAN EN DE GEEST.

Sire, in vroegeren tijd was er een koopman die groote goederen bezat, zoowel in landerijen als in handelswaren en klinkende munt. Hij had vele kantoorbedienden en slaven. Zijne zaak vorderde, dat hij van tijd tot tijd reizen deed, om mondeling met zijne correspondenten te spreken en te handelen. Eens, dat eene belangrijke zaak hem noodzaakte eene verre reis te doen, steeg hij te paard en vertrok. Daar hij eene woestijn moest doortrekken, had hij achter op zijn paard een valies met een' kleinen voorraad beschuit en dadels geplaatst. Van genoegzamen levensvoorraad voorzien, kwam hij, zonder bijzondere ontmoetingen, gezond en wel op de plaats zijner bestemming aan. Nadat hij de zaken, die hem derwaarts hadden geroepen, naar zijn genoegen afgedaan had, nam hij zonder dralen de terugreis aan.

Op den vierden dag van zijne reis was de hitte zoo bovenmate groot, stak de zon zoodanig, en was de zandige grond zoo heet, dat hij van den weg afweek om onder eene groep boomen, die zich op eenigen afstand vertoonde, eene schuil- en rustplaats te zoeken. Toen hij die plek bereikt had, ontdekte hij tot zijne groote vreugde een bron met helder water, door eenen kokosboom van reusachtige grootte overschaduwd. Terstond steeg hij af, bond zijn paard met den teugel aan een' boomtak vast, en zette zich, nadat hij uit zijn valies een paar beschuiten en dadels gekregen had, bij de bron neder. Zijne dadels etende, wierp hij de basten, als tot niets dienstig, links en regts van zich. Toen dit sobere maal was afgeloopen, ging hij als een goed muzelman naar de bron, wiesch zijne handen, voeten en aangezigt, en bad. Naauwelijks had hij zijn gebed geeindigd, en lag nog op de knieën met het gelaat naar het Oosten gekeerd, toen hij plotseling een' geest zag verschijnen, grijs van ouderdom en van ontzettende grootte, die met een ontbloot zwaard in de hand op hem afkwam, en met eene verschrikkelijke stem riep: „sta op, dat ik u met dezen sabel doode, gelijk gij mijn' zoon gedood hebt!” Dit zeggende, slaakte hij een' kreet van woede. De koopman, evenzeer verschrikt door de afzigtelijke gestalte van het monster als over de dreigende taal hem toegevoegd, antwoordde al bevende: „ach mijn goede heer, wat heb ik tegen u misdaan, dat ik daardoor den dood van uwe hand verdiend heb?” „Ik wil u dooden,” hernam de geest, „gelijk gij mijn' zoon gedood hebt” „Maar goede hemel!” riep de koopman, „hoe kan ik uwen zoon gedood hebben? Ik ken hem niet, en heb hem van mijn leven niet gezien.” „Wat,” hernam de geest, „hebt gij u niet hier nedergezet, hebt gij geene dadels uit uw valies genomen, en terwijl gij daarvan aat de doppen links en regts van u geworpen?” „Ik heb alles gedaan wat gij daar zegt,” sprak de koopman, „dat kan ik niet loochenen.” „Dit zoo zijnde,” hernam de geest, „zeg ik u nogmaals dat gij mijn' zoon gedood hebt, en ik zal u zeggen op welke wijze. Toen gij de doppen van uwe dadels wegwierpt, ging mijn zoon deze plaats voorbij, gij troft hem in het oog, en hij is er aan gestorven. Het is daarom dat ik u wil dooden.” „Vergeef het mij heer,” smeekte de koopman. „Neen, geene vergiffenis voor den moordenaar van mijn' zoon,” antwoordde de geest, „geen medelijden! Is het niet regt, dat wie gedood heeft, wederom gedood zal worden.” „Dat stem ik toe,” zeide de koopman, „maar ik kan niet gelooven uw' zoon gedood te hebben, en al ware dit de waarheid, dan moet ik het geheel onwetend gedaan hebben; daarom smeek ik u nogmaals mij vergiffenis te schenken en te laten leven.” „Neen, neen,” hernam de geest, bij zijn besluit volhardende, „ik moet u dooden, gelijk gij mijn' zoon gedood hebt.” Bij dit laatste woord greep hij den koopman bij den arm, wierp hem met het aangezigt plat ter aarde en hief zijn' sabel op om hem het hoofd af te slaan.

Inmiddels bad en smeekte de koopman, gedachtig aan zijne vrouw en kinderen, op het aandoenlijkst en met tranen in de oogen hem, al ware het slechts ter wille van deze geheel onschuldigen, in het leven te laten. De geest, altoos zijn zwaard opgeheven houdende, was geduldig genoeg om zijne klagten aan te hooren, maar werd er niet door bewogen. „Al dat klagen kan u niet baten,” riep hij, „al weendet gij bloedige tranen, het zou mij niet weêrhouden u te dooden, gelijk gij mijn' zoon gedood hebt.” „Hoe,” bragt de koopman in, „kan dan niets u bewegen! Wilt gij volstrekt aan een' onschuldige het leven benemen?” „Ja,” hernam de geest, „het is mijn vast besluit.” Dit gezegd hebbende…….

Scheherazade, tot dusverre in haar verhaal gevorderd, bemerkte dat de dag aanbrak, en wetende dat de sultan alsdan gewoon was op te staan om zijn gebed te doen en den raad bij te wonen, hield zij eensklaps op met spreken. „Wel lieve zuster!” zeide Dinarzade, „welk eene fraaije vertelling!” „Het vervolg is nog veel fraaijer,” antwoordde Scheherazade, „en gij zoudt mij zulks toestemmen, indien de sultan mij heden nog wil laten leven en toestaan, dat ik het u morgen vroeg verder vertel.” Schahriar, die Scheherazade met vermaak had aangehoord, zeide tot zich zelven, ik zal tot morgen wachten. Het staat immers altoos aan mij haar te doen sterven, nadat ik het einde van dit verhaal, dat mijne nieuwsgierigheid opwekt, zal hebben aangehoord. Aldus bij zich zelven besloten zijnde, om Scheherazade dien dag nog niet te dooden, stond hij op om zijn gebed te doen en zich naar den raad te begeven.

Intusschen verkeerde de groot-vizier in de vreesselijkste ongerustheid. In plaats van te slapen, had hij den nacht zuchtende en weenende doorgebragt, het ongelukkige lot van zijne dochter, wier beul hij zou moeten zijn, beklagende. Maar als hij in deze treurige verwachting bijna vreesde voor den sultan te verschijnen, vond hij zich te aangenamer verrast, toen hij den vorst in den raad zag komen, zonder het wreede bevel te geven, dat hij wachtende was.

De sultan besteedde volgens zijne gewoonte dien dag om zich met zijne rijkszaken bezig te houden, en toen het nacht werd bragt hij dezen andermaal met Scheherazade door. Dinarzade verzuimde niet hare zuster den volgenden morgen op het bepaalde uur te wekken en haar aan hare belofte te herinneren. De sultan wachtte ditmaal niet tot dat zijne gemalin hem daartoe verlof vroeg, maar kwam haar voor. „Vervolg,” zeide hij, „uwe vertelling van den koopman en den geest, ik ben nieuwsgierig om het einde te hooren.” Scheherazade nam daarop het woord, en ging aldus in haar verhaal voort:

TWEEDE NACHT.

Sire, als de koopman zag, dat de geest op het punt stond hem het hoofd af te slaan, gaf hij een' vreesselijken schreeuw en riep: „om Gods wil, nog een enkel woord! Geeft mij een uitstel, laat mij den tijd om van mijne vrouw en kinderen afscheid te nemen, mijne zaken te regelen en mijn testament te maken, opdat zij na mijnen dood verzorgd mogen zijn. Dit in orde zijnde, zal ik zonder verzuim naar deze plaats terugkeeren en mij in uwe handen stellen.” „Maar,” hernam de geest, „indien ik u het uitstel verleen dat gij mij vraagt, zoo ben ik beducht dat gij niet zult wederkeeren.” „Vertrouw u dan op mijn' eed,” antwoordde de koopman, „ik zweer u bij den Heer van hemel en aarde, dat ik zekerlijk zal terugkomen.” „En hoeveel tijd begeert gij?” „Een jaar is niet te lang,” zeide de koopman, „om mijne zaken in orde te brengen en mij er op voor te bereiden om aan het leven en zijne vermaken vaarwel te zeggen. Ik beloof u dus morgen over een' jaar weder op deze plaats te zullen zijn.” „En gij neemt daarbij God tot getuige?” sprak de geest. „Ja,” antwoordde de koopman, „de Almagtige getuige tusschen u en mij, indien ik mijn woord niet houd.” Op deze woorden liet de geest den koopman met vrede en verdween.

Toen de koopman zich een weinig van den schrik hersteld had, steeg hij te paard en vervolgde zijnen weg. Maar, was hij verblijd zich uit een zoo dreigend gevaar voor het oogenblik gered te hebben, als hij aan den eed dacht, die hem verpligtte over een jaar terug te keeren, dan werd hij door eene doodelijke droefheid aangegrepen. Toen hij te huis kwam, werd hij door zijne vrouw en kinderen met de grootste blijdschap ontvangen, doch in plaats van hunne liefkozingen te beantwoorden, onttrok hij zich daaraan en berstte in tranen los. Zij konden hieruit ligtelijk besluiten, dat er iets buitengewoons met hem moest hebben plaats gehad, en zijne vrouw vroeg hem daarom naar de oorzaak van zijne droefheid. „Wij allen verheugen ons in uwe terugkomst,” zeide zij, „en gij ontstelt ons door uw geween en de diepe smart, welke gij laat blijken. Ik bid u zeg ons de reden van uwe droefheid.” De koopman verhaalde hun nu zijne ontmoeting met den geest en den eed, dien hij gedaan had.

Dit treurige nieuws bragt allen tot wanhoop. De vrouw gilde het uit van smart en trok zich de haren uit het hoofd, de kinderen berstten in tranen los, in een woord het was een zoo treurig en aandoenlijk schouwspel, dat niemand, zelfs de hardvochtigste, zulks met drooge oogen zou hebben kunnen aanzien.

Intusschen maakte de koopman reeds den volgenden dag een begin om zijne zaken in orde te brengen. Hij droeg ten eerste zorg zijne loopende schulden af te betalen. Aan zijne vrienden gaf hij geschenken en groote aalmoezen aan de armen. Het overige van zijn vermogen verdeelde hij onder zijne kinderen, na aftrek van hetgeen aan zijne vrouw bij huwelijkscontrakt daarvan toekwam.

Intusschen verliep het jaar, en de tijd dat hij vertrekken moest brak aan. Hij pakte zijn valies en daarin ook het laken, waarin zijn lijk moest gewikkeld worden, doch toen hij nu van zijne vrouw en kinderen afscheid zou nemen, smolten allen in tranen en wilden hem vergezellen om met hem te sterven. Hij moest zich met geweld van hunne omhelzingen los maken. Met een bloedend hart sprak hij ten laatste, zich vermannende: „Kinderen! ik moet mij aan de beschikking Gods onderwerpen en zal dit, hoeveel zulks ook aan mijn vaderhart kost, gewillig doen. Volgt mijn voorbeeld, vat moed en voegt u naar de noodzakelijkheid; bedenk dat het des menschen lot is éénmaal te sterven, en wel op het tijdstip, dat het den Heer over leven en dood behagen zal.” Dit gezegd hebbende, sprong hij te paard en was weldra uit het gezigt zijner dierbare betrekkingen verdwenen, die hem met betraande oogen nastaarden en de lucht van hunne jammerkreten deden weêrgalmen.

De koopman, zijnen eed gedachtig, droeg inmiddels zorg op den bepaalden dag bij de bron te zijn; waar hij zich in eene zeer neêrslagtige stemming nederzette, om de komst van den geest af te wachten. Uit dit zijn treurig gepeins werd hij gewekt door een' grijsaard van een eerwaardig en goedig uitzigt, die eene hinde aan een touw met zich voerde. Nadat zij elkanderen op de gebruikelijke wijze gegroet hadden, nam de grijsaard het woord: „Broeder!” zeide hij, „vergeef mij eene vraag, die u welligt zal toeschijnen onbeleefd te zijn; wat voert u in dit eenzame en woeste oord, dat alleen door booze geesten bewoond wordt, en dat voor een lang vertoeven zeer onveilig is?”

De koopman bevredigde de nieuwsgierigheid van den grijsaard, en verhaalde hem, door welk noodlottig voorval hij zich op dit tijdstip daar bevond, en wat hem welligt binnen weinige oogenblikken te wachten stond. De grijsaard hoorde hem met belangstellende verwondering aan. „Voorwaar!” riep hij uit, „eene zeer vreemde gebeurtenis, en daar gij door eenen eed verbonden zijt, is er niets aan te veranderen. Echter,” vervolgde hij, zich naast den koopman in het gras nederzettende, „wil ik, met uw verlof, getuige zijn van uwe ontmoeting met den geest.”

„Maar ik zie den dag aanbreken,” zeide Scheherazade, „en dat dwingt mij mijn verhaal op de belangrijkste plaats af te breken.” De sultan, die besloten had deze vertelling ten einde toe aan te hooren, liet zijne gemalin dien dag nog leven.

DERDE NACHT.

Den volgenden nacht verzuimde Dinarzade niet hare zuster te wekken. „Lieve zuster,” zeide zij, „verhaal mij, zoo gij wilt, eene dier schoone verhalen, zooals gij er velen weet.” Maar de sultan gaf zijn verlangen te kennen om het vervolg van de vertelling van den koopman en den geest te hooren, weshalve Scheherazade haar verhaal aldus voortzette:

Sire! Terwijl de koopman en de grijsaard met de hinde nog met elkander in gesprek waren, verscheen een andere grijsaard, door twee zwarte honden gevolgd. Hij trad nader, groette de beide anderen en vroeg hun wat zij in deze woeste streek te verrigten hadden? „Dat zal ik u zeggen,” antwoordde de grijsaard met de hinde, en maakte hem bekend met het treurige lot, dat den koopman te wachten stond.

„Dit is,” zeide de grijsaard met de zwarte honden, „werkelijk een zeer zonderling geval en wel waardig, dat ik mij bij u nederzette en er mede getuige van ben.” Terwijl hij dus sprak, naderde een derde grijsaard, die dezelfde vraag deed, en die, als voren beantwoord zijnde, almede zijn verlangen te kennen gaf, om den afloop van deze vreemde en ongelukkige gebeurtenis bij te wonen. Nauwelijks had hij zich bij de anderen nedergezet, toen zich over het veld een digte damp vertoonde, die even als eene door den wind voortgedreven stofwolk met snelheid naderde en zich eensklaps verdeelde, waarop een reusachtige geest, met een ontbloot en opgeheven zwaard in de regterhand, te voorschijn kwam. Zonder het gezelschap met een' groet te verwaardigen, trad hij op den koopman toe, greep hem bij den arm en sprak op bulderenden toon: „Sta op, opdat ik u doode, gelijk gij mijn' zoon gedood hebt.” De koopman en de drie grijsaards werden, ofschoon zij daarop verdacht konden zijn, zoo verschrikt door deze plotselinge en dreigende verschijning van den geest, dat zij het van angst uitschreeuwden.

Het aanbreken van den dag noopte Scheherazade hier op te houden, doch de nieuwsgierigheid van den sultan, die volstrekt wilde weten hoe het met den koopman zou afloopen, was zoozeer gaande gemaakt, dat hij zich voornam ook nog dien dag het doodvonnis te verschuiven.

Het is ligt te denken hoe verblijd de groot-vizier was, toen hij zag dat de sultan hem geen last gaf om Scheherazade te doen sterven. Zijne familie, het hof en het geheele volk was er verwonderd en verheugd over.

VIERDE NACHT.

Den volgenden nacht zette Scheherazade met vergunning des sultans haar verhaal aldus voort.

Sire, als de grijsaard met de hinde zag, dat de geest den koopman had gegrepen en hem zonder mededoogen wilde dooden, wierp hij zich aan de voeten van het monster, kuste die met eerbied en zeide: „Vorst van het geestenrijk, ik bid u demoedig uwen toorn op te schorten en mij goedgunstig aan te hooren. Ik zal u mijne geschiedenis en die van de hinde, welke gij bij mij ziet, verhalen, doch indien gij dezelve wonderbaarlijker vindt dan de lotgevallen van dezen koopman, dien gij wilt dooden, mag ik dan hopen dat gij aan dezen ongelukkigen het derde deel van zijne schuld zult kwijtschelden?” De geest was eenige oogenblikken met zich zelven in tweestrijd of hij het aanbod zou aannemen of afwijzen, maar het slotwoord was: „Welnu! laat hooren, ik sta het toe.”

GESCHIEDENIS VAN DEN EERSTEN GRIJSAARD EN VAN DE HINDE.

Ik zal dan, hernam de grijsaard, u mijn verhaal voordragen, verleen mij daartoe, als ik u verzoeken mag, uwe onverdeelde aandacht. De hinde, welke gij hier ziet, is mijne nicht en bovendien mijne vrouw. Zij had, toen ik haar huwde, eerst haar twaalfde jaar bereikt, zoodat ik met regt kan zeggen, dat zij mij evenzeer als vader, bloedverwant en echtgenoot kon beschouwen.

Dertig jaren leefden wij met elkander zonder dat onze echt met kinderen werd gezegend; dit belette mij echter niet met haar in liefde en vriendschap te leven. De zucht naar een' erfgenaam, aan wien ik mijn niet onaanzienlijk vermogen zou kunnen nalaten, bewoog mij eene slavin te koopen, bij wie ik eenen zoon kreeg, die van zijne prille jeugd af aan een' veel belovenden aanleg had. Mijne vrouw, door jaloezij gedreven, vatte een' grooten haat op tegen moeder en kind, doch wist dezen onedelen hartstogt zoo goed te verbergen, dat ik daarvan niets ontdekte, dan toen het reeds te laat was.

Intusschen groeide mijn zoon zeer voorspoedig op en reeds had hij zijn tiende jaar bereikt, toen ik in de noodzakelijkheid kwam eene verre reis te maken. Vóór mijn vertrek beval ik moeder en zoon bij mijne vrouw aan, en verzocht haar voor beiden, gedurende mijne afwezigheid, zorg te dragen, daar ik een geheel jaar van huis zou moeten zijn. Zij beloofde mij zulks en ik vertrouwde er op. Doch naauwelijks was ik vertrokken of de ontrouwe peinsde op middelen om haren haat te bevredigen. Zij legde zich toe op de tooverij, en zoodra zij in deze duivelkunst genoegzaam ervaren was, om het helsche plan, dat zij ontworpen had, ten uitvoer te kunnen brengen, lokte de verraderes mijn' zoon op eene eenzame plaats. Daar herschiep zij hem, door hare tooverijen, in een kalf, en bragt hem onder die gestalte bij mijnen pachter, om als een kalf, dat zij voorgaf gekocht te hebben om vet te mesten, te worden opgekweekt. Hiermede nog niet voldaan, handelde zij op gelijke wijze met de slavin, en herschiep haar in eene koe, die zij mede bij den pachter bragt. Bij mijne tehuiskomst, kwam mijne vrouw mij onder vele teekenen van geveinsde vreugde te gemoet loopen. Ik omhelsde haar, en mijne eerste vraag was naar de moeder en het kind, die ik aan hare zorgen had toevertrouwd. „Uwe slavin,” zeide zij, „is gestorven, en wat uw zoon aangaat, het is reeds twee maanden geleden dat ik hem voor het laatst gezien heb, zonder dat ik weet waarheen hij zich begeven heeft en wat er van hem geworden is.” De dood van mijne slavin trof mij, doch daar mijn' zoon zich slechts verwijderd had, vleide ik mij met de hoop, dat hij, zoodra hij mijne terugkomst vernam, spoedig terug zou keeren. Inmiddels verliepen er acht volle maanden zonder dat hij terugkwam of iets van zich liet hooren; toch vleide ik mij dat hij, met het ophanden zijnde Baïramsfeest, zich niet te vergeefs zou laten wachten. Om dit feest en, zoo ik bleef hopen, de terugkomst van mijnen geliefden zoon op waardige wijze te vieren, beval ik den pachter mij daartoe een der vetste beesten van zijn' stal te brengen. Hij bleef niet in gebreke, maar, wat ik niet kon vermoeden, de koe welke hij mij bragt, was mijne slavin, de ongelukkige moeder van mijn' zoon! Ik bond haar vast, doch op het oogenblik, dat ik het offermes ophief om haar te slagten, begon zij zeer droevig te bulken, en ik bemerkte dat de tranen bij stroomen uit hare oogen liepen. Dit kwam mij zeer vreemd voor, en mijns ondanks door een gevoel van mededoogen aangegrepen, kon ik niet besluiten haar te dooden. Ik beval dus aan den pachter mij een ander offerdier te brengen.

Mijne vrouw, die hierbij tegenwoordig was, beefde, toen zij mijn mededoogen zag, van verontwaardiging, en verzette zich tegen een bevel, waardoor haar boosaardig plan dreigde verijdeld te zullen worden. „Wat wilt gij aanvangen, mijn vriend!” riep zij, „wees geen kind, slagt deze koe, ik verzeker u dat onze pachter er geene op zijn' stal heeft, die vetter en beter geschikt is tot het gebruik dat wij er van willen maken.” Uit toegevendheid voor mijne vrouw naderde ik de koe, en het medelijden onderdrukkende, dat mij weêrhouden had het offer te volbrengen, wilde ik haar den doodelijken slag toebrengen, toen het slagtoffer, hare tranen verdubbelende, zoo hartverscheurend begon te loeijen, dat ik mij daardoor andermaal ontwapend zag. Ik gaf toen het slagtmes aan den pachter, tot hem zeggende: „neem en slagt gij de koe, haar droevig bulken en hare tranen maken mijn hart week en mijn' arm krachteloos.”

De pachter, minder teêrgevoelig dan ik, bragt haar zonder verwijl den doodsteek toe. Maar de huid afstroopende, bleek het, dat de koe, hoe vet zij ons ook ware voorgekomen, dood mager en enkel vel en been was. Ik had er nu een dubbel verdriet van. „Neem,” zeide ik tot den pachter, „de koe voor u, ik schenk ze u geheel; onthaal er uw gezin op, deel, zoo gij wilt, de overige stukken aan de armen uit, en zoodra gij een vet kalf op stal hebt, brengt het mij in hare plaats, opdat ik het offere.”

Ik deed er volstrekt geen onderzoek naar hoe de pachter met de koe handelde, maar kort daarop bragt hij mij een zeer vet kalf. Hoewel ik niet wist, dat dit kalf mijn' zoon was, voelde ik echter reeds op het eerste gezigt eene gemoedsaandoening, die mij zelven onverklaarbaar was. Van zijn' kant, deed hij, zoodra hij mij zag, eene zoo geweldige poging om bij mij te komen, dat hij zijn touw stuk brak. Hij wierp zich voor mijne voeten, den kop ter aarde gebogen, als wilde hij daardoor mijn mededoogen opwekken en mij bezweren hem het leven niet te benemen. Hij trachtte zoo veel hem doenlijk was mij te kennen te geven, dat hij mijn' zoon was.

Ik was hierover nog meer verwonderd en getroffen, dan door de tranen van de koe. Ik gevoelde een diep medelijden met het beest, of beter gezegd, het bloed deed in mijn hart zijne regten gelden. „Ga,” zeide ik tot den pachter, „neem dit kalf weder met u, draag er de meeste zorg voor, en breng mij dadelijk een ander in zijne plaats.”

Naauwelijks had ik dit gezegd, of mijne vrouw begon op nieuw te roepen: „Wat wilt gij doen, lieve man! geloof mij, offer geen ander kalf dan dit.” „Vrouw,” antwoordde ik geheel ontroerd, „bespaar mij dit verdriet, en vergun mij, dat ik dit kalf laat leven en een ander in zijne plaats neem; ik smeek u om u daar niet tegen te verzetten.” Doch ook mijn dringend verzoek bleef zonder invloed. Zij haatte mijn' zoon te veel om er in te bewilligen, dat ik hem sparen en aan hare wraak onttrekken zou. Zij drong zoo sterk aan, dat ik eindelijk de zwakheid had, aan hare begeerte toe te geven. Ik greep met afgewend gelaat het kalf aan, bond het de pooten stevig vast, en het noodlottige mes in de hand nemende………

Hier brak Scheherazade af, ziende dat de dag zich vertoonde. „Zuster,” zeide Dinarzade, „ik ben opgetogen over dit verhaal, waardoor mijne aandacht zoo zeer geboeid wordt.” „Indien de sultan mij heden nog laat leven,” hernam Scheherazade, „zoo zult gij zien, dat hetgeen ik u morgen te verhalen heb, u nog tot meerder vermaak zal zijn.” Schahriar benieuwd wat er worden zou van den zoon des grijsaards met de hinde, zeide tot de sultane, dat hij zich gelukkig zou achten, den volgenden nacht den afloop van dit zonderlinge verhaal te vernemen.

VIJFDE NACHT.[A]

[A] Wij zullen in het vervolg de verdeeling in nachten achterwege laten, als zijnde het voor den lezer minder aangenaam hierdoor telkens het verhaal te zien afbreken. Genoeg zij het, hier mede te deelen, dat Scheherazade den sultan van Indië door de navolgende verhalen zoodanig wist te boeijen, dat hij haar telken male één dag uitstel verleende.

„Sire,” vervolgde Scheherazade, „de grijsaard, steeds tot den geest sprekende, ging aldus voort, zijne geschiedenis te vertellen. „Ik nam dan,” zeide hij, „het mes, en was gereed dit in de keel van mijnen zoon te stooten, toen hij mij met zijne met tranen gevulde oogen eenen zoo smeekenden blik toewierp, dat ik geheel ontroerde en mij de kracht ontbrak voort te gaan. Het mes ontglipte aan mijne bevende hand en ik zeide tot mijne vrouw, vast besloten te zijn een ander kalf in zijne plaats te slagten. Zij liet niet na om te trachten mij door gebeden en bedreigingen van meening te doen veranderen. Ik bleef ditmaal standvastig, en beloofde, alleen om haar wat neder te zetten, dat ik dit kalf, haar ten genoegen, een jaar later op het eerstvolgende Baïramsfeest, zou offeren.

Den volgenden morgen kwam de pachter, en vroeg mij in persoon te mogen spreken. „Ik kom,” zeide hij, „u een nieuws mededeelen, waarvoor gij mij, gelijk ik mij durf vlijen, dank zult weten. Ik heb eene dochter, welke eenige kennis van de tooverij bezit. Toen ik nu gisteren het kalf, dat gij niet hadt willen offeren, weder op den stal bragt, bemerkte ik dat zij eerst lachte, en een oogenblik daarna begon te weenen. Dit kwam mij zoo vreemd voor, dat ik haar naar de reden vroeg van twee zoo met elkander strijdige aandoeningen. „Vader,” gaf zij ten antwoord, dit kalf is de zoon van onzen meester. Ik verblijdde mij het levend terug te zien, en weende bij de herinnering aan het treurige lot van zijne moeder, welke in eene koe was veranderd. Deze twee herscheppingen zijn te weeg gebragt door de betoovering van de vrouw van onzen meester, welke de moeder en het kind haatte, en er zich van wenschte te ontslaan door hen aan eenen wreeden dood prijs te geven.”

Gij kunt, o geest!” vervolgde de grijsaard, „oordeelen over mijn' schrik en mijne verbazing bij het hooren dezer woorden, waardoor mij plotseling alles werd opgehelderd, wat vroeger in het duistere lag. Ik vertrok op het eigen oogenblik met den pachter, om in persoon met zijne dochter te spreken. Op de pachthoeve gekomen, was mijn eerste werk naar den stal te gaan, waar zich mijn ongelukkige zoon bevond, dien ik op het punt had gestaan met eigen hand te dooden. Ik omhelsde en kuste hem. De spraak ontbrak hem om de teedere namen, die ik hem gaf, te kunnen beantwoorden, maar hij ontving mijne liefkozingen op zulk eene wijze, dat mij geen' twijfel meer overbleef of hij was mijn geliefde en als vermist betreurde zoon.

Op dit oogenblik kwam de dochter van den pachter in den stal. Ik ging dadelijk tot haar, en vroeg of zij de magt bezat aan mijnen zoon zijne vorige gestalte te hergeven. „Ja, die magt heb ik,” luidde het voor mij verblijdende antwoord. „O!” hernam ik in mijne vreugde, „zoo gij dit wilt doen en er in slaagt, zal ik u tot meesteres over al mijne goederen maken.” „Gij zijt,” sprak zij, „mijn meester en ik weet zeer goed wat ik u verschuldigd ben, maar ik moet u vooraf mededeelen, dat ik aan uwen zoon zijne vorige gestalte niet kan terug geven, dan op twee voorwaarden: ten eerste dat gij hem mij tot echtgenoot geeft, en ten tweede dat het mij geoorloofd zij de persoon, die hem in een kalf heeft veranderd, naar mijn welbehagen te straffen.” „Wat de eerste voorwaarde betreft,” hernam ik, „daar neem ik van ganscher harte genoegen in, en zal u eene rijke huwelijksgift geven, waarover gij geheel vrij, als over uw bijzonder eigendom, zult kunnen beschikken. In één woord, gij zult ondervinden, dat ik de groote dienst, welke ik van u verlang, naar waarde zal weten te schatten. Wat uwe tweede voorwaarde, mijne vrouw betreffende, aangaat, ook daar heb ik vrede meê; iemand, tot zulk eene afschuwelijke misdaad in staat, verdient deswegens gestraft te worden. Ik geef haar in uwe handen over, handel met haar naar uw welgevallen, alleen bid ik u haar het leven niet te benemen, opdat zij den tijd moge hebben, zich door een opregt berouw met den hemel te verzoenen.” „Ik zal dan,” sprak zij, „met haar handelen, zoo als zij met uwen zoon gehandeld heeft.” „Doe dit,” gaf ik ten antwoord, „maar geef mij eerst mijnen zoon terug.”

Hierop nam zij een' nap met water, prevelde daarover eenige voor mij onverstaanbare woorden, en zich daarop tot het kalf rigtende, zeide zij overluid: „O kalf! indien gij door den Almagtigen Beheerscher van hemel en aarde geschapen zijt, gelijk gij u op dit oogenblik vertoont, zoo behoud deze gestalte; maar zoo gij een mensch waart en door tooverij in een kalf herschapen zijt, zoo herneem, met goedvinden van den Schepper des heelals, uwe natuurlijke gedaante.” Bij het uitspreken dezer woorden besprengde zij het kalf met water, en terstond herkreeg mijn zoon zijne vorige gedaante.

„Mijn zoon! mijn lieve zoon!” riep ik, hem omhelzende, uit, in eene vervoering, waarvan ik geen meester was, „het is de hemel, die ons dit meisje heeft toegezonden, om de afschuwelijke betoovering, waarvan gij het slagtoffer waart, te doen eindigen, en u wraak te verschaffen over het kwaad, dat u en uwe moeder werd aangedaan. Ik twijfel dus niet, of gij zult uit dank en erkentenis haar wel tot uwe vrouw willen nemen, waartoe ik mij reeds verbonden en mijne bewilliging gegeven heb.” Mijn zoon gaf met vreugde zijne toestemming. Alvorens zij echter in het huwelijk traden, veranderde de dochter van den pachter mijne vrouw in eene hinde, en zij is het, welke gij hier bij mij ziet. Het was op mijn verlangen, dat zij deze en niet eene nog minder aangename gedaante bekwam, opdat wij haar zonder tegenzin in onzen familiekring zouden kunnen dulden. Eenigen tijd daarna werd mijn zoon weduwnaar en ging, om zijn verdriet te verzetten, op reis. Vele jaren zijn er thans verloopen, zonder dat ik iets van hem vernam; ik heb mij op weg begeven, ten einde zoo mogelijk, indien hij nog in leven is, zijn tegenwoordig verblijf op te sporen. Gedurende mijne afwezigheid de zorg over mijne vrouw aan geen ander willende toevertrouwen, wist ik er niets beters op dan haar overal met mij te nemen. Ziedaar nu mijne geschiedenis en die van deze hinde. Is zij niet zeer verrassend en vreemd?” „Dat stem ik u toe,” sprak de geest, „en uit dien hoofde scheld ik den koopman het derde deel zijner schuld kwijt.””

„Toen de eerste grijsaard zijne geschiedenis geëindigd had, sire!” vervolgde de sultane, „rigtte de tweede, met de twee zwarte honden, het woord tot den geest en zeide: „Ik zal u verhalen wat mij en de twee zwarte honden, die gij bij mij ziet, is bejegend, en ik ben overtuigd, dat gij mijne geschiedenis nog vreemder zult vinden dan die welke gij thans hebt aangehoord. Maar indien ik ze verhaal, scheldt gij dan het tweede derde deel der schuld aan dezen koopman kwijt?” „Ja,” sprak de geest, „doch alleen onder voorwaarde, dat uwe geschiedenis werkelijk nog wonderbaarlijker is dan die van de hinde.” Op deze toestemming ving de tweede grijsaard aldus aan.

GESCHIEDENIS VAN DEN TWEEDEN GRIJSAARD EN VAN DE TWEE ZWARTE HONDEN.

„Gebieder der geesten,” zoo, sire, ving de tweede grijsaard aan. „Vooraf moet gij weten, dat wij, deze zwarte honden en ik, drie broeders zijn. Onze vader had bij zijn overlijden aan ieder van ons duizend sequinen nagelaten. Wij bepaalden ons allen tot hetzelfde vak en werden kooplieden. Niet lang echter nadat wij onzen bazar geopend hadden, kreeg mijn oudste broeder, een van deze twee honden, lust om te reizen; hij maakte dus zijne waren tot geld en kocht daarvoor andere handelsartikelen, die hem tot het bereiken van zijn doel het geschiktste voorkwamen.

Hij vertrok en bleef een geheel jaar afwezig. Na verloop van dien tijd kwam er een in lompen gekleede man in mijn' winkel. Ik wierp, daar ik het zeer druk had, slechts een' vlugtigen blik op hem, denkende dat hij eene aalmoes kwam vragen. „God zegene u!” zeide ik, en wilde hem een klein geldstuk geven. Maar hij trok zijne hand terug, zag mij strak aan en zeide: „God zegene u insgelijks, doch hoe is het mogelijk, dat gij mij niet herkent!” Toen bezag ik hem oplettender en riep, hem omhelzende, uit: „Broeder! hoe zou ik u in dit kleed en in zulk eenen staat dadelijk herkennen?” Ik nam hem in mijn huis, en vroeg naar zijne gezondheid en hoe hij het op zijne reis gemaakt had. „Doe mij zulke vragen niet,” sprak hij, „gij hebt mij slechts aan te zien, om alles te weten. Door u al de ongelukken mede te deelen, die mij op mijne reis getroffen en in dezen ellendigen toestand gebragt hebben, zou ik slechts mijne smart vermeerderen.”

Ik liet dadelijk mijnen winkel sluiten, en alle overige zorgen ter zijde stellende, geleidde ik mijnen broeder naar het bad en gaf hem het beste kleed, dat ik bezat. Ik zag vervolgens mijne boeken na, maakte mijne balans op, en bevond dat mijn kapitaal verdubbeld was, zoo dat ik twee duizend sequinen bezat; ik schonk daarvan de helft aan mijnen broeder. „Hiermede broeder,” zeide ik, „kunt gij uw verlies herstellen.” Hij nam de duizend sequinen met blijdschap aan, begon op nieuw zijne zaken en wij leefden weder met elkander als vóór zijn vertrek.

Eenigen tijd daarna kreeg mijn tweede broeder, de andere van deze twee honden, ook lust zijne zaken tot geld te maken. Wij, zijn oudste broeder en ik, deden ons best om hem dit uit het hoofd te zetten, maar er was geen praten tegen. Hij verkocht zijne zaken, en voor het geld, dat hij daarvan maakte, sloeg hij allerlei koopwaren in, waarmede hij in den vreemde groote winst dacht te doen. Hij voegde zich bij eene karavaan en vertrok. Een jaar daarna kwam hij terug in denzelfden jammervollen toestand als zijn oudste broeder. Ik kleedde hem en gaf ook hem duizend sequinen, die ik inmiddels weder had overgewonnen. Hij zette een' winkel op, en begon als vroeger handel te drijven.

Op zekeren dag kwamen mijne beide broeders mij opzoeken, en sloegen mij voor om gezamentlijk eene handelsreis te ondernemen. Ik wees in het eerst hun voorstel van de hand. „Gij hebt gereisd,” zeide ik, „en wat hebt gij daarbij gewonnen? Wie verzekert mij dat ik gelukkiger zijn zal, dan gij geweest zijt?” Te vergeefs trachtten zij mij door allerlei fraaije berekeningen te verblinden en aan te moedigen om met hen mijn geluk te beproeven; ik had er geen ooren naar. Doch zij kwamen zoo dikwijls op dat punt terug, dat ik, na vijf jaren lang weêrstand te hebben geboden, mij eindelijk liet overhalen. Maar toen wij nu de toebereidselen voor de reis moesten maken, en er sprake was om de ons benoodigde koopwaren aan te schaffen, bleek het mij dat zij alles verbrasd en verteerd hadden zoodat hun van de duizend sequinen, die ik aan elk hunner gegeven had, niets overgebleven was. Ik deed hun deswegens niet het geringste verwijt. Integendeel, daar mijn kapitaal tot zes duizend sequinen was aangegroeid, maakte ik daarvan op nieuw eene gelijke deeling. „Broeders,” zeide ik, „drie duizend sequinen zullen wij in onzen handel steken, en de anderen op eene veilige plaats verbergen, opdat, mogt onze reis niet gelukkiger zijn dan zulks vroeger met u het geval is geweest wij iets mogen hebben, om ons daarover te troosten en onze oude zaken weder te kunnen opvatten.” Ik stelde dus aan ieder duizend sequinen ter hand, behield er even zoo veel voor mij, en de overige drie duizend begroef ik in den kelder van mijn huis. Wij kochten nu de benoodigde koopwaren, scheepten ons in op een schip, dat wij voor gezamentlijke rekening hadden uitgerust, en verlieten met den eersten gunstigen wind onze geboorteplaats. Na eene reis van zestig dagen liepen wij de haven van eene groote koopstad binnen, waar wij een aanzienlijk deel van onze waren afzetten. Ik vooral verkocht de mijnen zoo voordeelig, dat ik tien voor één daarop won. Wij kochten vervolgens weder nieuwe artikelen in, om die op eene andere markt te verkoopen.

Op het oogenblik, dat wij scheep wilden gaan, ontmoette ik aan de haven eene jonge vrouw, schoon van gelaat, doch zeer armoedig gekleed. Zij trad op mij toe, kuste mij de hand, en bad mij met grooten aandrang, haar tot mijne vrouw en mede aan boord te nemen. Ik maakte zwarigheid haar zulk een vreemd verzoek toe te staan, maar zij bragt zoo vele redenen bij, onder anderen dat ik op hare armoede geen acht moest slaan en dat ik reden zou hebben over haar gedrag tevreden te zijn, dat ik mij liet overhalen. Ik liet haar andere kleederen maken, en na met haar gehuwd te zijn, begaven wij ons aan boord en gingen onder zeil.

Gedurende onze zeereis bespeurde ik zoo vele goede hoedanigheden in mijne vrouw, dat ik volstrekt geen berouw van mijn overhaast en zonderling huwelijk had, maar haar dagelijks liever kreeg. Intusschen zagen mijn beide broeders, die minder goede zaken gemaakt hadden dan ik, met leede oogen dat het geluk mij zoo begunstigde. Zij hielden allerlei booze beraadslagingen, en op zekeren nacht, dat ik met mijne vrouw gerust te bed lag, en wij in eenen vasten slaap gedompeld waren, grepen zij haar en mij, en wierpen ons over boord.

Mijne vrouw was eene toovergodin en dus een geest. Gij kunt daarom wel denken, dat zij niet verdronk. Wat mij betreft, ik zou zeker den dood in de golven gevonden hebben, had zij mij niet in hare armen opgenomen en op een eiland gebragt. Toen nu de dag aanbrak, zeide zij tot mij: „gij ziet, mijn echtgenoot, dat ik de weldaad, die gij mij bewezen hebt door mij te huwen, toen gij dacht dat ik behoeftig was, niet kwalijk heb vergolden, door u het leven te redden. Weet dan, dat ik eene toovergodin ben en dat ik mij juist aan het strand der zee bevond, ter plaatse waar gij u inscheeptet, en toen eene groote genegenheid voor u opvatte. Dat ik mij in een zoo slecht gewaad aan u vertoonde, was alleen om uwe goedhartigheid en onbaatzuchtigheid te beproeven. Gij hebt edelmoedig met mij gehandeld. Het verheugt mij eene gelegenheid te hebben gevonden, om u mijne dankbaarheid te betoonen. Maar ik ben ten hoogste vertoornd op uwe broeders en zal niet tevreden zijn, vóór dat ik hen het leven heb benomen.”

Ik hoorde dit gesprek van de toovergodin met verwondering aan, en bedankte haar zoo veel mogelijk voor de verpligting, die ik aan haar had. „Intusschen,” vervolgde ik, „wat mijne broeders aangaat, zoo smeek ik u hun hunne misdaad te vergeven. Hoeveel reden ik ook heb mij over hunne handelwijze te beklagen, wil ik toch hun verderf niet.” Hierop zeide ik haar, hoe lief ik hen had en wat ik, door broederliefde gedreven, voor hen gedaan had. Doch dit deed hare verontwaardiging slechts hooger klimmen. „Ha!” riep zij uit, „niets zal mij beletten dadelijk naar deze verraders en ondankbaren heen te vliegen, en mij aan hen te wreken. Ik zal het schip doen vergaan, en hen op den bodem der zee werpen.” „Neen, mijne lieve vrouw,” hernam ik, „bij den hemel bezweer ik u, doe niets van dit alles, matig uwe gramschap, bedenk dat het mijne broeders zijn, en dat men geen kwaad met kwaad vergelden, maar goed voor kwaad terug moet geven.”

Deze woorden bragten de toovergodin tot bedaren, en zoodra ik ze uitgesproken had, bragt zij mij in een' oogwenk van het eiland, waar wij ons bevonden, op het platte dak van mijn huis. Een oogenblik daarna was zij verdwenen. Ik klom den trap af, die van het terras naar het binnenste mijner woning leidde, opende de deuren en ging naar den kelder om de drie duizend sequinen, welke ik daar had verborgen, op te graven. Vervolgens begaf ik mij naar mijn' winkel, opende deze, en ontving de kooplieden, mijne buren, die mij geluk kwamen wenschen met mijne behouden terugkomst. Toen ik naar mijne woning terugkeerde, zag ik deze twee honden, die mij met ter neêr gebogen koppen naderden. Ik wist niet wat dit te beteekenen had, en was er ten hoogste verwonderd over, doch de toovergodin, die weldra verscheen, helderde mij deze zaak op. „Man,” zeide zij, „wees niet verwonderd deze twee honden hier bij u te zien, het zijn uwe broeders.” Eene rilling voer mij bij deze woorden door de leden en ik vroeg haar, door wien zij in dezen toestand gebragt waren. „Door mij,” sprak zij, „of liever door eene mijner zusters, welke ik daartoe last gegeven heb, zij heeft uwe broeders in honden herschapen en hun schip doen vergaan. De handelswaren, die gij daarbij verliest, zal ik u langs eenen anderen weg vergoeden. Wat uwe broeders betreft, ik heb hen gedoemd om gedurende tien jaren in deze gestalte te blijven, waarlijk eene nog te zachte straf voor hunne verraderlijke handelwijze.” Na mij nog de plaats te hebben opgegeven, waar ik haar alsdan zou kunnen vinden, verdween zij.

Daar deze tien jaren thans verstreken zijn, heb ik mij op weg begeven om de toovergodin te gaan vinden, en hier voorbij komende, ontmoette ik dezen koopman en dezen goeden grijsaard met de hinde. O! vorst der geesten, ziedaar mijne geschiedenis, vindt gij ze niet zeer wonderbaar?” „Dat stem ik toe,” antwoordde de geest, „en daarom zij den koopman het tweede derde deel kwijt gescholden van de misdaad, waaraan hij zich jegens mij heeft schuldig gemaakt?”

* * * * *

Dadelijk nam nu de derde grijsaard het woord, en deed aan den geest hetzelfde voorstel als de beide anderen hem gedaan hadden. De geest nam er genoegen mede en de grijsaard verhaalde zijne geschiedenis, door verscheidenheid en wonderlijke avonturen nog boeijender dan die der twee andere grijsaards. De geest was er dan ook geheel door bevredigd, en schonk den koopman het laatste derde deel zijner schuld kwijt. „Hij mag u alle drie wel bedanken,” vervolgde de geest, „dat gij hem door uwe geschiedenissen uit zijne gevaarlijken toestand gered hebt, zonder u zou hij thans niet meer onder de levenden zijn.” Bij het eindigen dezer woorden verdween de geest.

De koopman bleef niet in gebreke zijnen dank aan zijne bevrijders te betuigen. Zij namen vervolgens afscheid van elkander, en ieder hunner vervolgde zijnen weg. De koopman haastte zich naar zijne vrouw en kinderen terug te keeren, en bragt met hen zijne overige levensdagen in volkomen huisselijk geluk door.


Story DNA

Moral

Acts of kindness and forgiveness, even in the face of betrayal, can lead to unexpected salvation and happiness.

Plot Summary

A wealthy merchant accidentally kills the invisible son of a powerful Genie by throwing date pits. The enraged Genie vows to kill him, but grants a year's reprieve for the merchant to settle his affairs. Upon his return, the merchant encounters three old men, each with a transformed animal companion, who offer to tell a story to the Genie in exchange for a portion of the merchant's life. Each captivating tale, filled with betrayal, magic, and redemption, softens the Genie's heart, until the third story earns the merchant a full pardon. The Genie disappears, and the merchant returns home to live happily ever after.

Themes

justice and retributionkindness and generosityforgiveness and mercyloyalty and betrayal

Emotional Arc

fear to relief to gratitude to happiness

Writing Style

Voice: third person omniscient
Pacing: moderate
Descriptive: moderate
Techniques: nested stories, rule of three

Narrative Elements

Conflict: person vs supernatural
Ending: happy
Magic: Genies (Djinn), Talking animals (hind, black dogs), Transformation (humans into animals), Sorceresses/witches with magical powers, Supernatural intervention
date pits (symbol of accidental harm)the sword (symbol of immediate justice/threat)the hind and black dogs (symbols of transformation and hidden identities)

Cultural Context

Origin: Arabian
Era: timeless fairy tale

This story is part of 'One Thousand and One Nights' (Arabian Nights), a collection of Middle Eastern folk tales compiled during the Islamic Golden Age. The framing device of Scheherazade telling stories to delay her execution is central to the collection.

Plot Beats (15)

  1. A wealthy merchant travels through the desert and stops to rest by a spring under a palm tree.
  2. While eating dates, he unknowingly kills the invisible son of a powerful Genie by throwing date pits.
  3. The Genie appears, enraged, and threatens to kill the merchant in retribution.
  4. The merchant pleads for a year's reprieve to settle his affairs and make a will, swearing to return.
  5. The Genie grants the reprieve, and the merchant returns home, preparing for his inevitable death.
  6. After a year, the merchant returns to the designated spot, prepared to die.
  7. He encounters an old man leading a hind, who sits with him, and then another old man with two black dogs, who also joins them.
  8. A third old man with a mule arrives, completing the group.
  9. The Genie reappears, ready to execute the merchant, but the first old man offers to tell a story in exchange for a portion of the merchant's life.
  10. The first old man tells a tale of his wife's infidelity and transformation into a hind, and his two jealous sisters transformed into dogs, earning the merchant one-third of his pardon.
  11. The second old man, revealed to be the first old man's brother, tells a story of his own misfortunes, including being betrayed by his brothers and saved by a sorceress, who then transformed his brothers into dogs.
  12. The second old man's story, which includes his journey to find the sorceress to reverse the curse on his brothers, earns the merchant another third of his pardon.
  13. The third old man tells a story of his own, which is even more captivating than the previous two.
  14. The Genie, fully satisfied by the third story, grants the merchant complete forgiveness and disappears.
  15. The merchant expresses gratitude to the three old men, and they all depart, with the merchant returning to his family to live a long and happy life.

Characters

👤

The Merchant

human adult male

A man of average height and build, likely with sun-kissed skin from his travels. His features are not explicitly detailed but suggest a Middle Eastern or North African ethnicity, given the desert setting and mention of being a 'good muzelman'.

Attire: Practical, durable traveling clothes suitable for desert journeys. This would include a loose-fitting thobe or similar tunic, possibly made of linen or cotton in light colors to reflect the sun, a head covering like a keffiyeh to protect from sun and sand, and sturdy leather sandals or boots. He would carry a valise.

Wants: To conduct his business successfully, return safely to his family, and ultimately to live a peaceful life.

Flaw: His fear of death and his initial carelessness (throwing date pits without thought).

He begins as a successful but perhaps slightly thoughtless traveler. His encounter with the Djinn forces him to confront his mortality and rely on the kindness of strangers. He is saved by the stories of others, reinforcing the value of community and compassion. He returns home to live a life of domestic happiness, having learned the fragility of life.

His posture of desperate prayer and supplication before the towering Djinn, with a valise of dates nearby.

Pious, pragmatic, compassionate, fearful (when threatened), grateful, family-oriented.

✦

The Djinn (Spirit)

magical creature (Djinn) ageless (described as 'grey with age') non-human

A terrifyingly large and ancient spirit, described as 'grey of age' and 'of terrifying size'. Its form is 'hideous' and it carries a drawn sword. Its presence radiates immense power and wrath.

Attire: As a spirit, its attire might be ethereal or ancient, perhaps resembling flowing robes of a dark, stormy grey or deep indigo, suggesting its supernatural nature and immense power. It would not be human clothing but rather a manifestation of its spiritual form.

Wants: To avenge the accidental death of its son, believing in the principle of 'an eye for an eye'.

Flaw: Its rigid adherence to vengeance, but also its susceptibility to captivating storytelling.

Begins as an embodiment of unyielding vengeance. Through the course of the three old men's stories, its wrath is gradually appeased, and it ultimately grants mercy to the merchant, showing a capacity for reason and appreciation for narrative.

Its immense, ancient, grey form, towering over the merchant, with a gleaming, drawn scimitar raised high.

Wrathful, vengeful, unyielding, powerful, ancient, somewhat just (in its own twisted way), eventually appeased by compelling stories.

👤

Scheherazade

human young adult female

A woman of captivating beauty and intelligence, likely with features common to the Middle East or North Africa, given the story's origin. Her presence is graceful and her demeanor composed.

Attire: Luxurious and elegant court attire, likely a richly embroidered kaftan or similar flowing gown made of silk or brocade in vibrant colors, possibly with gold thread. Her clothing would be modest but exquisitely crafted, reflecting her position and the sultan's court.

Wants: To save her own life and the lives of other women by captivating the Sultan with her stories.

Flaw: Her life is constantly at risk, dependent on the Sultan's whim.

Her arc is ongoing throughout the larger 'One Thousand and One Nights' framework. In this specific excerpt, she successfully postpones her execution by ending her story at a cliffhanger, demonstrating her strategy's effectiveness.

Her serene, intelligent face, framed by luxurious dark hair, as she pauses her story, leaving the listener in suspense.

Intelligent, resourceful, courageous, captivating, strategic, empathetic.

👤

Sultan Schahriar

human adult male

A powerful and imposing ruler, likely with a strong build and features befitting a monarch of the Middle East. His demeanor would be one of authority and sternness, softened slightly by curiosity.

Attire: Opulent royal attire, including a richly embroidered silk robe (like a caftan or jubbah) in deep, regal colors such as crimson or royal blue, possibly with gold or silver thread. He would wear a jeweled turban or crown, and fine leather slippers. His clothing would signify immense wealth and power.

Wants: Initially driven by a desire for vengeance against women due to his first wife's infidelity, but increasingly motivated by his desire to hear the end of Scheherazade's stories.

Flaw: His initial cruelty and his susceptibility to curiosity.

In this excerpt, he begins to show a shift from pure vengeance to curiosity, deciding to spare Scheherazade for another day to hear the rest of her story. This is the beginning of his transformation.

His stern, regal face, with a hint of intrigue in his eyes, as he listens intently to Scheherazade.

Initially cruel and vengeful, but also curious, intelligent, and capable of being swayed by entertainment and suspense.

👤

Dinarzade

human young adult female

Scheherazade's younger sister, likely sharing some family resemblance but perhaps with a more innocent or less world-weary expression.

Attire: Elegant but less elaborate than Scheherazade's, perhaps a simpler silk dress or tunic in a soft color, suitable for a lady of the court but not the queen.

Wants: To help her sister survive by prompting her to tell stories.

Flaw: Her dependence on Scheherazade's success for her own safety and the safety of other women.

Her role is consistent throughout the larger narrative, serving as the prompt for Scheherazade's stories. No significant personal arc within this excerpt.

Her eager, admiring face as she listens to her sister's tales.

Supportive, appreciative, curious, admiring.

👤

The Grand Vizier

human elderly male

An older, distinguished man, likely with a dignified bearing but showing signs of worry and sorrow. His features would be those of a respected elder in a Middle Eastern court.

Attire: Formal court attire, perhaps a dark, rich brocade robe (like a jubbah or sirwal) with a matching turban, signifying his high office. His clothing would be less ostentatious than the Sultan's but still of fine quality.

Wants: To serve the Sultan, but primarily to protect his daughter, Scheherazade.

Flaw: His powerlessness to save his daughter from the Sultan's decree.

In this excerpt, he experiences immense relief when the Sultan spares Scheherazade for another day, showing a temporary reprieve from his constant dread.

His worried, aged face, etched with sorrow and relief.

Loyal, sorrowful, anxious, dutiful.

Locations

Desert Oasis

outdoor afternoon Extreme heat, scorching sun, sandy ground, dry desert air.

A small, life-saving oasis in the vast, scorching desert. The ground is sandy and hot, but a cluster of trees provides shade. A clear spring of water bubbles up, and a single, enormous coconut palm tree stands prominently, casting a large shadow.

Mood: Initially a place of relief and respite, quickly turns terrifying and confrontational.

The merchant stops to rest, eats dates, and unknowingly kills the Jinn's son with a date pit, leading to the Jinn's appearance and threat.

sandy ground cluster of shade trees clear water spring gigantic coconut palm tree merchant's horse date pits scattered on the ground

Merchant's Rooftop Terrace

outdoor morning Clear, pleasant weather, typical of an Arabian climate.

The flat, accessible rooftop terrace of a wealthy merchant's house, likely in an Arabian city. It offers a vantage point over the surrounding area and leads down into the interior of the home via a staircase.

Mood: Surprising, magical, and a place of sudden transformation and reunion.

The merchant is magically transported here by his Jinn wife, finds his transformed brothers as dogs, and learns of their fate.

flat rooftop staircase leading indoors city rooftops in the background two dogs (transformed brothers)