DE DRIE APPELEN
by Anonymous · from Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Tweede deel
Adapted Version
A kind king named Haroun lived long ago. He liked to walk in his city. One day, he saw a sad fish man. The fish man had no fish. "I am poor," said the fish man. "My home is hungry." King Haroun was kind. "Please, try one more time," said the king. "I will give you gold." The fish man was happy. He threw his net in the river. He pulled up a heavy box. The king gave him gold. The fish man said, "Thank you!" The king took the box to his palace. His helper, Giafar, was there. They opened the box. Inside was a broken toy. It was a little wooden apple. The king was sad. "Who broke this toy?" he asked. "Giafar, please find the answer." Giafar was worried. He looked and looked. He could not find the answer. Then, a young man came. "I am sorry," he said. "I lost the apple." The king listened. Then, an old man came. "I am sorry," he said. "I lost the apple." The king was kind. "Tell me your story," he said. The old man spoke slowly. "I bought three apples," he said. "For my sick wife." "One apple was missing." "I was sad and angry." "My friend, Rihan, told a lie." "He was scared." King Haroun asked, "Why did you lie?" Rihan said, "I was scared." The king got it. "It was a mistake," he said. The old man said, "Yes." "I am sorry." The king smiled. "Giafar, tell a happy story," he said. Giafar told a short story. "A man named Bedreddin was lost," he said. "Bedreddin made tasty pastries without pepper." "He was sad for a long time." "Then he found his home." "He was very happy." The king was happy too. He forgave all. He gave them gifts. "Always tell the truth," said the king. "Be kind to others." "Then all can be happy." They all smiled. They shared apples. And they all lived happy ever after.
Original Story
DE DRIE APPELEN.

Op zekeren dag gelastte Haroun-al-Raschid den groot-vizier Giafar, dat hij zich tegen den nacht aan zijn paleis moest bevinden. „Vizier!” zeide hij tot hem, „ik wil eene wandeling doen door mijne stad Bagdad, om met eigen oogen en ooren te vernemen, wat men van mij zegt, en in het bijzonder, of men tevreden is over mijne regters. Indien er onder zijn, over wie men regt heeft zich te beklagen, zullen wij hen afzetten en anderen in hunne plaats aanstellen, die zich beter van hun' pligt kwijten. Zijn er integendeel onder, over wie men met lof spreekt, zoo zullen wij dezen in waarde houden naarmate zij het verdienen.”
De groot-vizier was op het bepaalde uur bij zijnen vorst, en toen hij en de kalif met Masrour, den opperste der gesnedenen, zich verkleed hadden, ten einde niet herkend te worden, verlieten zij door eene geheime deur het paleis. Nadat zij eenige straten waren doorgegaan, ontmoetten zij in eene enge steeg een' langen grijsaard met een' witten baard. Hij droeg een groot vischnet op het hoofd, en had eene mand van gevlochten palmbladen aan den eenen arm, en een' stok in de hand. Toen de kalif dezen grijsaard zag, zeide hij: „Die man is zeker niet rijk, laat ons hem staande houden en naar zijne omstandigheden vragen.”
„Goede vriend,” zeide de vizier, hem aansprekende, „wie zijt gij en wat is uw beroep?” „Mijnheer,” antwoordde de grijsaard, „ik ben visscher, maar voorzeker de armste en ellendigste van alle visschers. Reeds op den middag ben ik van huis gegaan en nog heb ik geen' enkelen visch gevangen. Ik heb eene vrouw en kleine kinderen en niets om hen te voeden.” De kalif, hierdoor bewogen, nam nu het woord en zeide tot den visscher: „Zoudt gij den moed hebben uwe netten nog eene enkele maal uit te werpen? Wij zullen u honderd sequinen geven voor hetgeen gij ophaalt.” Op dit voorstel vergat de arme visscher zijne vermoeijenis, hield den kalif bij zijn woord, en keerde naar den Tigris terug, gevolgd door de drie anderen, terwijl hij bij zich zelven zeide: „Die heeren komen mij te fatsoenlijk voor, dan dat zij mij niet voor mijne moeite zouden betalen, en al gaven zij mij ook slechts het honderdste deel van hetgeen zij mij beloofd hebben, het zal voor mij altoos nog veel zijn.”
De drie Appelen. Dl. II, pag. 105.
Zoo kwamen zij aan den oever van den Tigris. De visscher wierp zijne netten uit, en toen hij deze daarna weder optrok, haalde hij een' groot, welgesloten en zeer zwaar koffer op. De kalif liet door zijn' groot-vizier den visscher onmiddelijk honderd sequinen toetellen, en zond hem daarmee weg. Masrour nam op bevel van zijn' meester den koffer op zijn' schouder, en daar de kalif zeer ongeduldig was, om met den inhoud bekend te worden, keerden zij dadelijk naar het paleis terug. Toen het koffer geopend was, vond men er eene baal van palmbladen in, die met een' rooden draad was toegenaaid. Om aan het ongeduld van den kalif te voldoen gunde men zich den tijd niet, den draad los te maken, maar sneed dien met een mes door, en nu vond men in de baal een pak, in een oud stuk tapijt gewikkeld, dat met touwen omwonden was. Nadat het touw losgemaakt en het pak geopend was, zag men daarin met afgrijzen het aan stukken gesneden ligchaam van eene jonge vrouw, zoo blank als sneeuw.
Groot was, op dit gezigt, de verwondering van den kalif; maar deze verbazing ging weldra in toorn over, en een' woedenden blik op zijn' vizier werpende, riep hij uit: „Ha! ongelukkige, waakt gij op deze wijze voor de veiligheid van mijne onderdanen! Straffeloos vermoordt men onder uw beheer mijne onderhoorigen, tot zelfs binnen mijne hoofdstad, en men werpt hunne lijken in den Tigris, opdat zij wraak tegen mij zouden roepen op den dag des oordeels! Indien gij den dood van deze vrouw niet spoedig wreekt, door haren moordenaar te straffen, zoo zweer ik u, bij Allah en bij den grooten Profeet, dat ik u en veertig van uwe bloedverwanten zal doen ophangen.” „Beheerscher der geloovigen,” sprak de vizier, „ik smeek uwe majesteit mij tijd te vergunnen om den misdadiger op te sporen?” „Ik geef u daartoe niet meer dan drie dagen,” hernam de kalif, „denk daaraan.”
Hevig ontsteld over dit onredelijke bevel, keerde de vizier Giafar naar zijne woning terug. „Helaas!” zeide hij, „hoe zal ik in eene zoo groote en volkrijke stad als Bagdad, den bedrijver van dit gruwelstuk ontdekken, die deze misdaad waarschijnlijk zonder ooggetuigen gepleegd, en zich misschien reeds uit de stad verwijderd heeft. Een ander, in mijne plaats, zou misschien een' ongelukkige uit de gevangenis halen, en dezen doen sterven, om alzoo den kalif te misleiden en te bevredigen, maar ik wil mijn geweten met zulk eene bloedschuld niet bezwaren: liever den dood, dan mijn leven op zulk eene wijze redden!”
Hij gaf last aan alle onder hem staande beambten, om een naauwkeurig onderzoek naar den misdadiger te doen instellen. Deze zonden hunne geregtsdienaars uit, en waren ook zelven werkzaam, daar zij meenden bij deze zaak bijna even veel belang te hebben, als de vizier. Maar al hunne pogingen waren vruchteloos; er was van den moordenaar geen spoor te ontdekken, en de vizier begreep, dat het, zonder tusschenkomst des hemels, met zijn leven gedaan was.
Inderdaad, op den derden dag kwam een bode des kalifs bij den ongelukkigen staatsdienaar, en gelastte hem om te volgen. De vizier gehoorzaamde. Zoodra hij voor den kalif verscheen was diens eerste vraag: „Hebt gij den moordenaar?” „Beheerscher der geloovigen,” antwoordde de vizier met tranen in de oogen, „niemand heeft mij eenige aanwijzing omtrent hem kunnen geven.” De kalif werd woedend, deed hem scherpe verwijten, en gaf bevel, dat men hem en veertig der Barmeciden voor de poort van het paleis zoude ophangen.
Terwijl men bezig was de galgen op te rigten, en de veertig Barmeciden uit hunne woningen werden gehaald, riep op bevel van den kalif, een omroeper op alle pleinen en aan alle hoeken der straten: „Wie lust heeft den groot-vizier Giafar en veertig Barmeciden van zijn bloedverwanten te zien ophangen, die kome op het plein voor het paleis.” Toen alles gereed was, werden de groot-vizier en veertig zijner bloedverwanten door den regter en door geregtsdienaren van het paleis naar buiten gebragt, en onder de voor hen bestemde galgen geplaatst. Men deed hun den strop om den hals, waaraan zij moesten worden opgetrokken. Het volk, dat het geheele plein vervulde, kon dit treurige schouwspel niet met drooge oogen aanzien, want de groot-vizier Giafar en de Barmeciden waren bemind en geacht om hunne regtschapenheid, eerlijkheid en belangeloosheid, niet alleen te Bagdad, maar door het geheele rijk.
Men was gereed, om het onherroepelijke bevel van den te gestrengen vorst ten uitvoer te brengen, en men stond op het punt van een en veertig der braafste mannen van Bagdad het leven te benemen, toen een welgekleed jongman, van een zeer gunstig voorkomen, zich een' weg door de menigte baande, tot bij den groot-vizier doordrong, hem de hand kuste en zeide: „Oppermagtige vizier, hoofd der emirs van dit hof, toevlugt der armen! gij zult niet sterven voor de misdaad van een ander. Ga van hier, en laat mij boeten voor den dood der dame, die ik in den Tigris heb geworpen. Ik ben haar moordenaar, en verdien daarvoor de straf te dragen.”
Ofschoon deze bekentenis den vizier eene groote blijdschap veroorzaakte, kon hij echter niet nalaten medelijden te gevoelen met den jongeling, wiens uitzigt, in plaats van terugstootend te zijn, iets aantrekkelijks had. Hij wilde hem antwoorden toen een lange man van reeds gevorderden leeftijd insgelijks door de menigte heen drong, voor den vizier trad, en tot hem zeide: „Heer! geloof niet, wat deze jongeling u zegt; niemand anders dan ik, heeft de jonge vrouw, welke men in den koffer vond, gedood.” „Bij Allah, ik bezweer U, Heer!” riep de jonge man op zijne beurt, „straf den onschuldige niet voor den schuldige. Ik betuig u, en wil het met een' eed bevestigen, dat ik alleen deze slechte daad heb begaan, en daarbij niemand tot medepligtige heb gehad.” „Mijn zoon!” viel de grijsaard in, „het is de wanhoop, die u hier heen heeft gevoerd, en gij wilt uw noodlot vooruit loopen; wat mij betreft, ik ben reeds lang genoeg op deze wereld. Sta mij toe, mijn leven voor u op te offeren. Heer!” vervolgde hij, zich tot den vizier wendende, „ik herhaal het u, ik ben de moordenaar; doe mij sterven en draal niet.”
De tegenstrijdige verklaringen van den grijsaard en den jongeling verpligtten den vizier hen, met verlof van den regter, voor den kalif te brengen. Toen hij in tegenwoordigheid van den monarch verscheen, boog hij tot zeven malen het hoofd ter aarde, en sprak op deze wijze: „Beheerscher der geloovigen! Ik breng hier vóór u dezen grijsaard en dezen jongen man, die elk voor zich beweren de moordenaar van de jonge vrouw te zijn.” De kalif vraagde nu met een gestreng gelaat aan de beschuldigden, wie van hen die dame op eene zoo barbaarsche wijze had omgebragt en in den Tigris geworpen. De jongeling verzekerde, dat hij het was; doch de grijsaard hield het tegendeel staande. „Ga!” beval de kalif aan den groot-vizier, „doe hen beiden ophangen.” „Maar, sire,” hernam Giafar, „indien slechts een van hen schuldig is, zoo zou het niet regtvaardig zijn, ook den andere te doen sterven.”
Toen nam de jongeling het woord, en zeide, zijne vingers opstekende: „Ik zweer, ten aanhoore van den Schepper van hemel en aarde, dat ik het ben, die de dame gedood, aan vier stukken gesneden, en nu vóór vier dagen in den Tigris heb geworpen. Ik mag geen deel hebben aan den dag des oordeels, indien, hetgeen ik zeg, niet waarachtig is, daarom ben ik het, die gestraft moet worden.” De kalif was verbaasd over dezen ongevergden en duren eed, en sloeg er geloof aan, vooral, omdat de grijsaard daar niets tegen inbragt. Om die reden wendde hij zich tot den jongen man, en zeide: „Ongelukkige! waarom hebt gij deze afschuwelijke misdaad begaan, en wat kon u bewegen u zelven over te leveren?” „Beheerscher der geloovigen!” antwoordde hij, „indien alles beschreven werd, wat tusschen deze dame en mij is voorgevallen, het zou eene geschiedenis zijn, leerzaam voor vele menschen.” „Verhaal ze ons dan,” hernam de kalif, „ik beveel het u.” De jonge man gehoorzaamde, en begon zijn verhaal op de volgende wijze.
GESCHIEDENIS VAN DE VERMOORDE DAME EN VAN DEN JONGEN MAN, HAAR ECHTGENOOT.
„Beheerscher der geloovigen! uwe majesteit moet weten, dat de vermoorde jonge dame mijne vrouw en de dochter van dezen grijsaard was, welke laatste mijn oom van vaders zijde is. Zij was naauwelijks twaalf jaar, toen hij haar aan mij ten huwelijk gaf, en sedert dien tijd zijn er nu bijna elf jaren verloopen. Onze drie kinderen zijn allen nog in leven. Ook moet ik mijne vrouw het regt laten wedervaren, dat zij mij nooit de minste reden tot ongenoegen heeft gegeven. Zij was deugdzaam, van eene zachte inborst, en zij stelde er hare hoogste vreugde in, om mij genoegen te doen. Van mijne zijde beminde ik haar opregt, en ik voorkwam al hare wenschen.
Het zal nu omstreeks twee maanden geleden zijn, dat zij ziek werd. Ik droeg alle mogelijke zorg voor haar, en spaarde niets, wat tot hare genezing strekken kon. Na verloop van eene maand werd zij iets beter en wenschte op zekeren dag naar het bad te gaan. Vóór dat zij echter van huis ging, zeide zij tot mij: „Lieve neef (zoo noemde zij mij uit gemeenzaamheid), ik ben zeer belust op appels; gij zult mij een genoegen doen, indien gij mij er eenigen bezorgt. Reeds lang heb ik daarnaar verlangd, en ik mag voor u niet ontveinzen, dat dit verlangen zoo toeneemt, dat ik voor kwade gevolgen vrees, indien daaraan niet spoedig voldaan wordt.” „Van harte gaarne,” antwoordde ik, „ik zal mijn uiterste best doen, ze u te bezorgen.”
Ik ging dadelijk om appels bij alle fruitverkoopers, doch, ofschoon ik eene sequin voor het stuk bood, ik kon ze in de geheele stad niet bekomen. Wat mijne vrouw aangaat, toen zij uit het bad terugkwam en de appels niet zag, werd zij zoo verdrietig, dat zij den ganschen nacht niet kon slapen. Ik stond met het krieken van den dag op, ging bij alle tuinlieden rond, maar slaagde niet beter dan den vorigen dag. Eindelijk ontmoette ik een' ouden tuinman, die mij verzekerde, dat ik mij vergeefsche moeite gaf, en ze nergens zou vinden dan in den tuin van uwe majesteit te Balsora.
Daar ik mijne vrouw hartstogtelijk lief had, en ik het verwijt niet op mij wilde laden, iets verzuimd te hebben om haar genoegen te geven, trok ik een ander kleed aan, en na haar mijn plan medegedeeld te hebben, vertrok ik naar Balsora. Ik maakte zoo veel spoed, dat ik binnen veertien dagen weder te Bagdad was, en drie appelen medebragt, die mij eene sequin het stuk kosten. In den geheelen tuin waren er geene meer te vinden, en de tuinman wilde ze mij daarom voor niet minder afstaan. Bij mijne tehuiskomst ging ik terstond naar de slaapkamer van mijne vrouw, en met een hart vol vreugde bood ik haar de appelen aan, maar haar verlangen daarna had intusschen opgehouden; zij nam ze met blijkbare onverschilligheid aan, en legde ze bij zich neer. Inmiddels was zij nog altoos ziek, en ik wist niet meer, welk middel ik tegen hare kwaal zou aanwenden.
Twee dagen na mijne reis bevond ik mij in mijn' winkel op de openbare markt, toen ik een' zwarte slaaf, groot van gestalte en breed geschouderd, maar van een slecht uitzigt, zag voorbijgaan met een' appel in de hand, welke ik dadelijk herkende voor een' van die, welke ik uit Balsora had medegebragt. Ik kon mij hierin niet vergissen, daar ik wist, dat er noch in Bagdad noch in de tuinen, om de stad gelegen, appelen te krijgen waren. Ik riep den slaaf. „Goede vriend,” zeide ik, „verpligt mij, door te zeggen van waar gij dien appel hebt gekregen.” „Het is,” antwoordde hij, al lagchende, „een geschenk van mijne beminde. Ik heb haar heden een bezoek gebragt, en vond haar een weinig ongesteld. Ik zag drie appelen bij haar liggen, en vraagde haar, van waar zij die had, daar die vrucht thans in geheel Bagdad niet te vinden is. Zij gaf mij ten antwoord, dat haar goede sukkel van een' man er eene reis van veertien dagen voor gedaan had, om ze haar te bezorgen. Wij hebben een' kouden maaltijd gedaan, en toen ik haar verliet, heb ik den appel, dien gij hier ziet, medegenomen!” Dit verhaal bragt mij buiten mij zelven. Ik stond van mijne plaats op, en na mijnen winkel gesloten te hebben, ijlde ik naar huis, en ging terstond naar de kamer van mijne vrouw. Dadelijk wierp ik een' blik op de plaats, waar de appels hadden gelegen, en ziende, dat er slechts twee waren, vraagde ik waar de derde gebleven was. Mijne vrouw wendde even het hoofd om naar de plaats, waar zij de appels gelegd had, en er ook slechts twee ontwarende, zeide zij op onverschilligen toon: „Neef! ik weet niet, wat er van dien derden appel geworden is, ik zie alleen, dat hij weg is.” Op dit antwoord twijfelde ik niet meer, of hetgeen de slaaf mij gezegd had, was overeenkomstig de waarheid. Op het zelfde oogenblik aan eene vlaag van woedende jaloezij gehoor gevende, trok ik het mes, dat in mijn' gordel stak, en stiet het in de borst van deze trouwelooze. Vervolgens sneed ik haar het hoofd af, en het ligchaam in vier stukken. Ik maakte hiervan een pak, hetwelk ik in eene baal van palmbladen verborg, en waarvan ik de opening met een' rooden draad toenaaide. Eindelijk sloot ik dit in een' koffer, en zoodra het donker werd, nam ik dien op mijne schouders, om hem in den Tigris te werpen.
Mijne beide jongste kinderen waren reeds te bed en in slaap; de derde was nog op. Toen ik terugkwam, vond ik hem bitter schreijende voor de deur zitten. Ik vraagde hem naar de reden van zijne tranen. „Vader,” zeide hij snikkende, „ik heb dezen morgen van moeder, zonder dat zij er iets van merkte, een der drie appelen, die gij voor haar hebt medegebragt, weggenomen. Ik heb dien lang bewaard en speelde er op straat met mijne broertjes mede, toen een leelijke zwarte slaaf hem mij uit de hand greep en er mede wegliep. Ik liep hem na en vroeg den appel terug; maar of ik al zeide, dat hij van mijne zieke moeder was, en dat gij eene reis van veertien dagen gedaan had, om ze voor haar te halen, niets mogt helpen, hij wilde hem mij niet teruggeven. Ik volgde hem al schreeuwende, doch nu keerde hij zich om, sloeg mij, en liep vervolgens weg, zoodat ik hem eindelijk uit het gezigt verloor. Toen ben ik zoo lang buiten de poort gaan wandelen, tot de tijd daar was, dat gij te huis komt; en nu wacht ik u hier, lieve vader, om u te verzoeken, dat gij er niets van aan moeder zegt, uit vrees dat zij dan van verdriet nog zieker zal worden.” Bij het eindigen dezer woorden, begon het kind op nieuw te weenen.
Hetgeen mijn zoon mij verhaald had, ontroerde mij vreeselijk. Ik zag de grootte van mijne misdaad in, en het berouwde mij, maar helaas te laat, dat ik geloof had geslagen aan de bedriegelijke woorden van een' ellendigen slaaf, die, van hetgeen hij van mijn' zoon vernam, de fabel had verzonnen, die ik voor waarheid had gehouden. Inmiddels kwam mijn oom, thans hier tegenwoordig, om zijne dochter te bezoeken, maar in plaats van haar in leven te vinden, vernam hij uit mijn' mond, dat zij niet meer was. Ik verborg niets voor hem, en zonder af te wachten, dat hij mij veroordeelde verklaarde ik mij zelven voor den misdadigste van alle mannen. Niettemin, in plaats van mij met regtmatige verwijten te overstelpen, mengde hij zijne tranen met de mijnen. Hij beweende, drie dagen lang, het verlies van eene geliefde dochter, en ik, dat van eene vrouw, welke ik beminde, en van wie ik mij op zulk eene gruwelijke wijze beroofd had, door ligtvaardig gehoor te geven aan een' leugenachtigen slaaf.
Ziedaar, Beheerscher der geloovigen! de openhartige bekentenis, welke uwe majesteit van mij begeerd heeft. Gij kent thans mijne misdaad in al hare bijzonderheden, en ziet tot welke gruweldaden de jaloezij een' man vervoeren kan. Ik bid u zeer nederig thans mijn vonnis uit te spreken; hoe gestreng dat ook zijn moge, ik zal er mij niet over beklagen, en het zal altoos te ligt zijn voor mijne misdaad.”
De kalif was nu ten hoogste verwonderd over hetgeen de jonge man hem mededeelde. Maar met zijn ongeluk bewogen, vond hij hem meer beklagenswaardig dan misdadig. „De daad van dezen jongen man,” zeide hij, „is vergevenswaardig bij God en bij de menschen. De boosaardige slaaf is de eenige oorzaak van dezen moord; hij alleen moet gestraft worden. Daarom,” vervolgde hij, zich tot den groot-vizier wendende, „geef ik u drie dagen om dien misdadiger op te zoeken. Indien gij hem binnen dien tijd niet voor mijn' troon brengt, zal ik u in zijne plaats doen sterven.”
De ongelukkige Giafar, die zich reeds buiten gevaar waande, was zeer ter neêrgeslagen over dit nieuwe bevel van den kalif, doch daar hij dien vorst, wiens karakter hij kende, niet durfde tegenspreken, verliet hij het paleis, en begaf zich schreijende naar zijn huis, overtuigd, dat hij niet meer dan drie dagen te leven had. Hij was er zoo zeker van den slaaf niet te zullen vinden, dat hij niet de minste moeite deed, om naar hem te zoeken. „Het is niet mogelijk,” zeide hij, „in eene stad als Bagdad, waar een oneindig aantal zwarte slaven zijn, den regten man uit te vinden. Indien niet Allah mij hem doet kennen, gelijk hij mij reeds den moordenaar heeft ontdekt, kan niets mij redden.”
Hij bragt de eerste twee dagen in droefheid door met zijne familie, welke met hem treurde, en klaagde over de onregtvaardige gestrengheid van den kalif. Toen de derde dag aanbrak, bereidde de vizier zich voor om kloekmoedig te sterven, gelijk het een' staatsdienaar betaamt, die zich niets te verwijten heeft. Hij deed den kadi met zijne getuigen komen, en maakte zijn testament, dat zij in zijne tegenwoordigheid onderteekenden. Daarna omhelsde hij zijne vrouw en kinderen, en nam afscheid van hen. Allen smolten weg in tranen. Nooit zag men aandoenlijker schouwspel. Eindelijk kwam er een geregtsdienaar van het paleis, die hem zeide, dat de kalif ongeduldig werd om iets van hem of van den zwarten slaaf, dien hij hem bevolen had op te zoeken, te vernemen. „Ik heb last,” vervolgde hij, „u onmiddelijk voor den troon van zijne majesteit te brengen.” De bedroefde vizier maakte zich gereed om den geregtsdienaar te volgen; maar op het oogenblik van heengaan, bragt men hem zijne jongste dochter, een kind van tusschen de vijf en zes jaar. De vrouwen, met hare verzorging belast, gaven de kleine aan haren vader over, opdat hij haar voor het laatst zou omhelzen.
Daar de vizier voor dit kind eene bijzondere genegenheid had, verzocht hij den bode des kalifs hem een oogenblik tijd te geven. Nu nam hij het kind op den arm en kuste het bij herhaling. Terwijl hij het meisje dus omhelsde, bemerkte hij, dat zij eene dikte voor hare borst had. „Mijne lieve kleine,” vraagde hij, „wat hebt gij daar in uwen boezem?” „Beste vader,” antwoordde het kind, „dat is een appel, waarop de naam van den kalif is uitgesneden. Rihan, onze slaaf, heeft hem mij voor twee sequinen verkocht.”
Op de woorden van appel en slaaf, gaf de vizier een' kreet van verbazing en vreugde, en de hand in den boezem van zijn dochtertje stekende, haalde hij den appel te voorschijn. Hij liet den slaaf, die niet ver van daar was, roepen, en zoodra deze voor hem verscheen, zeide hij: „Schelm, waar hebt gij dien appel gestolen?” „Heer!” antwoordde de slaaf, „ik zweer u, dat ik hem niet ontvreemd heb, noch bij u, noch uit den tuin van den Beheerscher der geloovigen. Vóór eenige dagen over straat gaande, trof ik daar drie spelende kinderen aan; een van hen had dezen appel in de hand. Ik ontrukte ze hem en nam ze mede. Het kind liep mij na, en vertelde mij, dat de appel niet van hem, maar van zijne zieke moeder was, en dat zijn vader eene lange reis had gedaan, om haar te bevredigen, en drie appels had medegebragt, waarvan deze er een was, dien hij had weggenomen, zonder dat zijne moeder het wist. Hoe hij ook daarom smeekte, ik gaf hem den appel niet terug. Te huis komende sneed ik den naam van den kalif op den appel, en verkocht hem aan uwe kleine dochter voor twee sequinen. Meer kan ik er u niet van zeggen.”
Giafar nam den slaaf, wiens guitenstreek oorzaak was geweest van den dood eener onschuldige vrouw, en ook hem bijna het leven had gekost, met zich, en toen hij voor den kalif kwam, gaf hij aan dien vorst een naauwkeurig verslag van hetgeen de slaaf hem gezegd had en van het toeval, waardoor hij met zijne misdaad bekend was geworden. Na het aanhooren dezer mededeeling, zeide de verwonderde kalif tot den vizier, dat deze slaaf, die tot eene zoo treurige dwaling aanleiding had gegeven, ook eene voorbeeldige straf verdiende. „Ik kan dat niet ontkennen, Sire!” antwoordde de vizier, „maar zijn misdrijf is eenigzins te verschoonen. Ik ken eene nog veel vreemdere geschiedenis van een' vizier te Caïro, Noureddin Ali genaamd, en van Bedreddin Hassan van Balsora. Daar uwe majesteit vermaak schept in het aanhooren van dergelijke geschiedenissen, zoo ben ik bereid ze u te verhalen, op voorwaarde dat indien gij ze wonderlijker vindt dan deze, gij mijn' slaaf genade zult verleenen.” „Dat neem ik aan,” hernam de kalif, die thans in eene goede luim was, „maar gij neemt eene zware taak op u, en ik geloof niet, dat gij uw' slaaf zult kunnen redden; want de geschiedenis van de drie appels is al hoogst zonderling.”
Giafar nam nu het woord op en ving zijn verhaal aan als volgt
GESCHIEDENIS VAN NOUREDDIN ALI EN VAN BEDREDDIN HASSAN.
„Beheerscher der geloovigen! Er was eertijds in Egypte een sultan, regtvaardig, weldadig, goedertieren en minzaam jegens zijne onderdanen. Zijne dapperheid maakte hem gevreesd bij zijne naburen, zoodat zij zijn rijk met rust lieten. De vizier van dezen sultan was een man van veelomvattende kennis, wijs, voorzigtig, en bedreven in de fraaije letteren en in alle wetenschappen. Deze minister had twee zonen, die de voetstappen van hun' vader drukten; de oudste heette Schemseddin Mohammed en de jongste Noureddin Ali. De laatste vooral bezat groote verdiensten. Toen de vizier hun vader overleden was, deed de sultan hen bij zich ontbieden, en na hen met den tabbaard van gewoon vizier bekleed te hebben, zeide hij: „Ik neem innig deel in het verlies, dat gij geleden hebt; ook mij heeft dit zeer getroffen, en daar het mij bekend is, dat gij te zamen woont en in volmaakte eendragt leeft, zoo verhef ik u beiden tot de zelfde waardigheid. Gaat, en volgt de deugden van uw' vader na.”
De twee nieuwe viziers bedankten den sultan voor zijne gunst, en keerden naar hunne woning terug, om zorg te dragen voor de begrafenis van hun' vader, die met groote plegtigheid plaats had. Zij betreurden hem eene geheele maand, en na verloop van dien tijd verschenen zij voor de eerste maal in den raad van den sultan, dien zij nu in het vervolg geregeld bijwoonden. Telkens als de sultan op de jagt ging, vergezelde hem beurtelings een der broeders.
Noureddin Ali en Bedreddin Hassan. Dl. II, pag 117.
Op zekeren dag dat de oudste van de jagt terugkwam, en zij te zamen hun avondmaal gebruikt hadden, zeide hij tot den jongsten: „Broeder, daar schiet mij een zonderling denkbeeld te binnen. Wij zijn beiden nog ongehuwd, en leven in de beste verstandhouding; laat ons nu op den zelfden dag trouwen met twee zusters, die wij uit eene familie zullen kiezen, zoo als dit het best met ons belang zal overeenkomen. Wat zegt gij hiervan?” „Ik zeg, broeder!” antwoordde Noureddin Ali, „dat dit zeer goed strookt met onze innige vriendschap. Gij zoudt geen beter denkbeeld kunnen hebben; en, wat mij betreft, ik ben bereid alles te doen, wat u behagen kan.” „Maar wij zijn er nog niet,” hernam Schemseddin, „mijne gedachten gaan veel verder. Veronderstel dat uwe vrouw een' zoon, en de mijne eene dochter krijgt, dan zullen wij ze te zamen laten huwen, zoodra zij daartoe de jaren bereikt hebben.” „O!” riep Noureddin Ali, „dit gedeelte van uw plan is waarlijk zeer schoon. Dit huwelijk zal de kroon zetten op onze eensgezindheid en ik geef van ganscher harte mijne toestemming. Maar, broeder!” voegde hij er bij, „zoo dit huwelijk mogt plaats hebben, zoudt gij dan verlangen, dat mijn zoon eene huwelijksgift aan uwe dochter gaf?” „Wel zeker,” hernam de oudste, „en ik ben overtuigd, dat gij er niets tegen zult hebben om, behalve de gewone bepalingen van het huwelijkscontrakt, ook te doen vaststellen, dat aan mijne dochter zullen toekomen minstens drie duizend sequinen, drie schoone landgoederen en drie slaven.” „Daar kan ik niet in toestemmen,” zeide de jongste, „zijn wij niet broeders en ambtgenooten, bekleed met de zelfde waardigheid? Bovendien, weten wij beiden niet wat regt is? Het mannelijke geslacht bezit immers grootere voorregten dan het vrouwelijke, en zoudt ge dus niet verpligt zijn, uwe dochter eene groote huwelijksgift te geven? Maar, naar ik zie, zijt gij de man, om uwe rekening te maken ten koste van anderen.”
Hoewel Noureddin Ali dit lagchende zeide, was zijn broeder echter niet gestemd het voor scherts te houden, en gevoelde er zich door beleedigd. „Ongeluk kome over uw' zoon,” riep hij driftig, „daar gij hem mijne dochter durft voortrekken. Ik verwonderde mij reeds, dat gij de stoutheid had, hem met haar gelijk te stellen. Gij moet uw verstand verloren hebben, daar gij u met mij op ééne lijn durft plaatsen, door te zeggen, dat wij ambtgenooten zijn. Weet, vermetele! dat ik nu mijne dochter niet aan uw' zoon zou willen geven, al gaaft gij hem meer schatten mede, dan in uw bezit zijn.”—Deze belagchelijke twist tusschen de twee broeders over het huwelijk van hunne kinderen, die nog niet geboren waren, had echter zeer ernstige gevolgen. Schemseddin Mohammed werd zoo driftig, dat hij tot bedreigingen overging. „Indien ik morgen den sultan niet vergezellen moest,” zeide hij, „zou ik u naar verdienste straffen; maar bij mijne terugkomst zal ik u leeren of het den jongeren broeder past zoo onbeschaamd tegen den ouderen te spreken.” Met deze woorden ging hij naar zijn slaapvertrek, en zijn broeder begaf zich naar het zijne.
Schemseddin Mohammed stond den anderen morgen vroeg op, en begaf zich naar het paleis. Kort daarop vertrok hij met den sultan, die den weg naar de pyramiden insloeg. Wat Noureddin Ali betreft, hij had den nacht zeer onrustig doorgebragt. Allerlei denkbeelden woelden hem door het hoofd. Hij zag de onmogelijkheid in om langer met een' broeder te leven, die hem zoo uit de hoogte behandelde, daar zij toch gelijk in rang waren, en hij besloot, tot voorkoming van verderen twist, hem uit den weg te gaan. Hij liet een' goeden ezel optuigen, voorzag zich van geld en edelgesteenten, alsmede van eenige levensmiddelen, zeide zijnen bedienden, dat hij binnen twee of drie dagen dacht terug te komen, en vertrok.
Buiten Caïro gekomen, sloeg hij den weg in naar de woestijn van Arabië. Maar zijn ezel bezweek weldra, en nu zag hij zich genoodzaakt zijne reis te voet voort te zetten. Bij geluk kwam hem echter een ruiter achter op, die naar Balsora ging, en deze nam hem achter op zijn' drommedaris. Toen zij na een' langen en snellen rid te Balsora kwamen, steeg Noureddin Ali af, en bedankte den ruiter voor de hem bewezen dient. Terwijl hij door de stad wandelde en naar eene geschikte herberg rond zag, ontmoette hem een heer niet een talrijk gevolg. Hij bemerkte, dat men dien man groote eer bewees, en stil bleef staan, tot hij voorbij was. Noureddin Ali deed als de anderen. Het was de groot-vizier van den sultan van Balsora, die door de stad ging, en zich aan de inwoners vertoonde, om door zijne tegenwoordigheid orde en vrede te bewaren.
De vizier liet zijne oogen op Noureddin vallen, en vond zijn voorkomen zoo gunstig, dat dit hem belangstelling inboezemde. Hij reed digt voorbij hem heen, en ziende, dat hij in reisgewaad was, hield hij zijn paard in, om hem te vragen wie hij was en van waar hij kwam. „Heer!” antwoordde Noureddin Ali: „Ik kom uit Egypte, ben te Caïro geboren, en heb mijn vaderland verlaten, omdat een mijner bloedverwanten mij zwaar beleedigd heeft. Zulks doet mij zoo zeer leed, dat ik besloten heb liever de gansche wereld te doorreizen, dan immer te Caïro terug te komen.” De groot-vizier, een achtenswaardig grijsaard, hernam hierop goedhartig: „Mijn zoon, neem u wel in acht, uw voornemen ten uitvoer te brengen. Er is veel ellende in de wereld, en aan het reizen zijn groote moeijelijkheden verbonden, die gij nog niet genoeg kent. Kom, volg mij liever; misschien ben ik in staat u het leed, dat u uit uw vaderland heeft verdreven, te doen vergeten.”
Noureddin Ali volgde den groot-vizier van Balsora. Deze, een groot menschenkenner, ontdekte weldra de goede hoedanigheden van Noureddin, en vatte zooveel genegenheid voor hem op, dat hij hem, na verloop van eenigen tijd, onder vier oogen bij zich riep, en tot hem zeide: „Mijn zoon! ik ben, zoo als gij ziet, reeds zeer hoog in jaren, zoodat mijn leven waarschijnlijk nog van korten duur zal zijn. De hemel heeft mij eene eenige dochter geschonken, die niet minder schoon is, dan gij welgemaakt zijt, en die thans huwbaar is. Vele voorname hovelingen hebben mij voor hunne zonen om hare hand gevraagd, maar ik heb niet kunnen besluiten hun aanzoek toe te staan. Wat u betreft, gij zijt mij lief, ik stel u boven al die anderen, en ik oordeel, dat gij mijne dochter waardig zijt. Ik ben bereid u tot mijn' schoonzoon aan te nemen. Is dit naar uw genoegen, zoo zal ik aan den sultan, mijn meester, verklaren, dat ik u tot zoon heb gekozen, en ik zal hem smeeken, mij te vergunnen, dat gij mijn opvolger moogt zijn als groot-vizier in het rijk van Balsora. En daar ik in mijn' hoogen ouderdom behoefte aan rust heb, zoo zal ik u niet slechts over al mijne goederen stellen, maar u tevens het bestuur der staatszaken, zoo veel ik mag, opdragen.”
Naauwelijks had de groot-vizier van Balsora deze woorden vol goedheid en edelmoedigheid gesproken, of Noureddin Ali wierp zich aan zijne voeten, en betuigde hem zijne erkentelijkheid voor het geluk, dat hij hem toedacht. De groot-vizier riep nu de voornaamste dienaren van zijn huis, en beval hun, dat de groote zaal feestelijk versierd, en een' kostbaren maaltijd aangerigt moest worden. Vervolgens liet hij de voornaamste hovelingen en ingezetenen bij zich noodigen. Toen nu allen bijeen waren, nam hij het woord op, en sprak, zich van eene onwaarheid bedienende om degenen, die naar de hand van zijne dochter gestaan hadden, niet voor het hoofd te stooten: „Ik ben zeer blijde, mijne heeren! u thans eene zaak te kunnen mededeelen, welke ik tot hiertoe geheim heb gehouden. Ik bezit een broeder te Caïro, die groot-vizier is aan het hof van den sultan van Egypte, gelijk ik de eer geniet dit van onzen grootmagtigen heer en meester te zijn. Deze broeder heeft slechts een' eenigen zoon, dien hij aan het hof van Egypte niet wilde uithuwelijken, maar hier heen gezonden heeft, om de echtgenoot mijner dochter te worden, ten einde alzoo den band des bloeds, die ons vereenigt, nog naauwer toe te halen. Deze zoon, dien ik voor mijn' neef erkend heb, en dien ik tot mijn schoonzoon wil maken, is deze jongeling, welke ik u bij dezen voorstel. Ik vlei mij, dat gij mij de eer zult aandoen op zijne bruiloft tegenwoordig te zijn, welke ik besloten had heden te vieren.” Geen der gasten kon het hem euvel duiden, dat hij de voorkeur gaf aan zijn neef, boven al de goede partijen, die hem voor zijne dochter aangeboden waren, en zij antwoordden daarom, dat hij groot gelijk had; terwijl zij met genoegen als getuigen bij de trouwplechtigheid tegenwoordig wilden zijn. Zij eindigden met den wensch, dat Allah hem nog een lang leven mogt geven, om vele jaren getuige van dezen gelukkigen echt te kunnen zijn.
Nadat zij aldus hunne goedkeuring hadden gegeven aan het voorgenomen huwelijk, ging men terstond aan tafel. Toen de confituren bij het dessert werden opgedragen, nam ieder, volgens het aldaar bestaande gebruik, daarvan zooveel als hij kon medenemen, en te gelijk trad de kadi binnen met het huwelijks-kontrakt in de hand. De voornaamste gasten onderteekenden het, waarna het gezelschap uit een ging.
Toen allen vertrokken waren, gelastte de groot-vizier, dat men Noureddin Ali naar het bad zou geleiden. Nadat de bedienden hem gewasschen en gewreven hadden, steeg hij uit het bad, trok een zeer prachtig daar gereed liggend gewaad aan, liet zich met welriekende wateren besprengen, en keerde in dezen staat naar den groot-vizier zijn' schoonvader terug. Deze was verrukt over zijn mannelijk schoon voorkomen, deed hem naast zich plaats nemen, en zeide: „Mijn zoon, gij hebt mij bekend gemaakt met den rang, dien gij aan het hof van Egypte bekleeddet, gij hebt mij ook gezegd, dat gij twist hebt gehad met uw' broeder, en dat gij om die reden uw vaderland hebt verlaten, maar ik verzoek u mij uw volle vertrouwen te schenken, door mij het onderwerp, waarover die twist ontstaan is, mede te deelen. Nu wij in zulk eene naauwe betrekking tot elkander staan, moet gij niets voor mij verbergen.”
Noureddin Ali verhaalde hem nu den twist met zijn' broeder tot in de kleinste bijzonderheden. De groot-vizier kon dit verhaal niet aanhooren zonder in lagchen uit te barsten. „Dit is nu,” zeide hij, „de vreemdste zaak, waarvan ik ooit gehoord heb. Hoe is het mogelijk, mijn zoon, dat uw twist over een ingebeeld huwelijk zoo hoog kon loopen? Het doet mij leed, dat gij over zulk eene nietigheid met uw' broeder in onmin zijt. Hij heeft evenwel ongelijk, dat hij uwe scherts als ernst heeft opgenomen; en ik moet den hemel dankbaar zijn, omdat ik aan die oneenigheid een' schoonzoon te danken heb. Maar,” vervolgde de grijsaard met een' glimlach, „ik mag u niet langer ophouden; de nacht is reeds ver gevorderd, en het wordt tijd zich ter ruste te begeven. Ga, mijne dochter uwe gade, wacht u. Morgen zal ik u aan den sultan voorstellen. Ik vlei mij, dat hij u op zulk eene wijze zal ontvangen, dat wij beiden reden kunnen hebben daarover voldaan te zijn.” Noureddin Ali verliet zijn' schoonvader, en begaf zich naar het vertrek van zijne vrouw.
Keeren wij nu tot zijn' broeder terug.
Eene maand nadat Noureddin Ali Caïro had verlaten, met voornemen er nimmer terug te komen, kwam Schemseddin Mohammed te huis. De sultan had zich zoo zeer door zijn' jagtlust laten vervoeren, dat hij gedurende al dien tijd afwezig was gebleven. Schemseddin ging terstond naar de vertrekken van zijn' broeder. Hij was zeer verwonderd te vernemen, dat deze op den zelfden dag, dat hij met den sultan ter jagt was gegaan, op een' ezel vertrokken was, voorgevende een reisje van twee of drie dagen te gaan maken, terwijl men hem sedert dien tijd nog niet had weder gezien. Schemseddin Mohammed werd door dit berigt zeer ontroerd, daar hij begreep, dat de harde woorden, die hij zijn' broeder had toegevoegd, de eenige oorzaak van zijne verwijdering konden zijn. Hij zond onmiddelijk een' koerier, die over Damaskus naar Aleppo ging; maar Noureddin was toen reeds te Balsora. De koerier kwam dan ook terug met het berigt, dat hij niets van den vlugteling had kunnen vernemen, en er bleef aan Schemseddin Mohammed niets anders over dan zijn' broeder elders te zoeken.
Inmiddels begon hem het eenzame leven spoedig te vervelen, en hij besloot eene vrouw te nemen. Hij huwde met de dochter van een der voornaamste en magtigste ingezetenen van Caïro, op den zelfden dag, dat zijn broeder te Balsora de dochter van den groot-vizier trouwde. Na verloop van negen maanden beviel de vrouw van Schemseddin Mohammed te Caïro van eene dochter.
Op den zelfden dag kreeg de echtgenoot van Noureddin Ali te Balsora een zoon, die den naam ontving van Bedreddin Hassan. De groot-vizier van Balsora toonde zijne blijdschap door het uitdeelen van aalmoezen, en door het houden van openbare vermakelijkheden, ter eere van zijn' kleinzoon. Om aan zijn schoonzoon een blijk te geven van zijne tevredenheid, ging hij naar het paleis en verzocht den sultan, om Noureddin Ali tot vizier te benoemen, opdat hij nog vóór zijn' dood de vreugde mogt smaken, zijn' schoonzoon zijne plaats te zien bekleeden.
De sultan, die in Noureddin Ali, toen hij hem bij gelegenheid van zijn huwelijk was voorgesteld, groot behagen had gevonden, en sedert niets dan goeds van hem had hooren spreken, stond zijn' vizier met veel welwillendheid de verlangde gunst toe, en deed hem in zijne tegenwoordigheid den groot-viziers-tabbaard omhangen. De vreugde van den grijzen staatsdienaar, toen hij den volgenden morgen zijn' schoonzoon, in zijne plaats, in den raad des sultans zag voorzitten, was onbeschrijfelijk. Noureddin Ali kweet zich zoo goed, als of hij zijn leven lang het viziers-ambt bekleed had, hetgeen de verwondering opwekte van den sultan en van allen, die niet wisten, dat hij te Caïro reeds als vizier werkzaam was geweest. Hij verscheen nu in den raad, zoo vaak de gebreken des ouderdoms zijn' schoonvader weêrhielden er te komen. Deze goede grijsaard stierf in het vierde jaar na het huwelijk van zijne dochter, met den troost haar onder de bescherming van een' man achter te laten, die in staat was den luister van zijne familie op te houden. Noureddin Ali bewees hem de laatste eer, met al die liefde en dankbaarheid, welke hij hem verschuldigd was.
Zoodra Bedreddin Hassan zijn zevende jaar had bereikt, gaf zijn vader hem een' voortreffelijken leermeester, die begon met hem overeenkomstig zijne hooge geboorte op te voeden. Hij vond in dit kind een' vluggen en vatbaren geest, in staat om van het onderwijs voordeel te trekken.
Binnen twee jaren kon Bedreddin Hassan niet alleen goed lezen, maar, zoo goed was zijn geheugen, den geheelen koran reeds van buiten. Noureddin Ali, zijn vader, gaf hem nu nog andere leermeesters, die zijn' geest met allerlei kundigheden trachtten te verrijken, en op zijn twaalfde jaar had hij zulke vorderingen gemaakt, dat hij toen hun onderwijs niet meer behoefde. Zijne gelaatstrekken droegen de bewondering weg van allen, die hem zagen, zoodat hij niet alleen in geestelijke, maar ook in ligchamelijke gaven boven allen uitmuntte.
Daar zijn vader het voornemen had, hem eenmaal zijne plaats te doen vervullen, onderrigtte hij hem in de moeijelijkste staatszaken en verzuimde, in één woord, niets, wat strekken kon om het geluk van zijn' eenigen en geliefden zoon te bevorderen. Reeds begon hij de vruchten van zijn' arbeid te plukken, toen hij door eene zeer ernstige ongesteldheid werd aangetast, en zijn einde voelde naderen. Hij vleide zich dan ook met geene ijdele hoop, maar bereidde zich voor om als een opregt muzelman te sterven. In deze voor hem kostbare oogenblikken, vergat hij zijn' beminden Bedreddin niet. Hij liet hem bij zich roepen, en zeide: „Mijn zoon, gij ziet aan mij, dat dit leven vergankelijk is; slechts dat, waarin ik weldra zal overgaan, duurt eeuwig. Het is noodig, dat gij er reeds van nu af aan op bedacht zijt, u in den zelfden toestand te verplaatsen, waarin ik mij thans bevind, leg er u op toe dien overgang zonder droefheid te kunnen doen, vervul uwe pligten als muzelman en als braaf mensch, en uw geweten zal u niets verwijten. Wat uwe godsdienst aangaat, gij zijt daarin genoegzaam onderwezen, door hetgeen gij van uwe meesters geleerd, en door hetgeen gij daarover gelezen hebt. Wat den braven mensch betreft, daaromtrent zal ik u eenige lessen geven, die u nuttig kunnen zijn. Doch daar het noodig is zich zelven te kennen, en gij die kennis niet kunt bezitten, zonder te weten wie ik ben, zoo zal ik u zulks vooraf mededeelen.
Ik ben,” vervolgde Noureddin Ali, „geboren in Egypte; mijn vader, uw grootvader, was eerste staatsdienaar bij den sultan van dat rijk. Ook ik heb de eer gehad, te gelijk met mijn' anderen broeder, vizier van den zelfden sultan te zijn. Zoo ver ik weet is uw oom, die Schemseddin Mohammed heet, nog in leven. Ik was verpligt mij van hem te verwijderen, en kwam in dit land, waar ik den post heb gekregen, dien ik tot dus verre bekleedde. Maar gij zult al deze zaken breedvoerig kunnen vinden in mijn dagboek.” Toen haalde Noureddin Ali eene rol papier uit zijne borst, en gaf ze Bedreddin Hassan. „Neem dit,” zeide hij, „gij kunt het op uw gemak lezen; en onder meer andere dingen, zult gij er den dag van mijn huwelijk en dien van uwe geboorte in vinden aangeteekend. Dit te weten kan u waarschijnlijk later noodig zijn, daarom zal het u aansporen dit geschrift met zorg te bewaren.” Bedreddin Hassan bedroefd over den toestand, waarin hij zijn' vader zag, en getroffen door zijne woorden, ontving het geschrift met tranen in de oogen, en beloofde er zich nimmer van te zullen ontdoen. Toen werd Noureddin Ali door eene flaauwte overvallen, welke voor zijn leven deed vreezen. Hij kwam echter weder bij, en nogmaals het woord opnemende, zeide hij: „Mijn zoon, de eerste stelregel, dien gij in het oog moet houden, is: u niet te veel op anderen te verlaten. Het beste middel om in vrede te leven is, met zich zelven raad te nemen, en zich niet ligtvaardig uit te laten. Zonder dit zult gij nimmer een goed staatsman worden.
De tweede is: tegen niemand geweld te plegen; want doet gij dit wel, zoo zal een ieder tegen u opstaan, en gij behoort de wereld te beschouwen als een schuldeischer, aan wien gij gematigdheid, mededoogen en verdraagzaamheid schuldig zijt.
De derde is: zoo men u beleedigt, niet te antwoorden. Men is buiten gevaar, zegt het spreekwoord, wanneer men weet te zwijgen. En het is vooral in die omstandigheid, dat gij moet weten u zelven te beheerschen, en dit in beoefening te brengen; want als het eene woord het andere volgt, zal er twist ontstaan en de vijandschap meestal groot worden. Te regt zegt daarom een van onze dichters, dat de stilzwijgendheid het sieraad en de beschermster van ons leven is, en dat men, sprekende, niet gelijk moet zijn aan een' stortvloed, die in zijn vaart alles medevoert en beschadigt. Nooit heeft het iemand berouwd gezwegen te hebben, maar het veel spreken heeft menigeen in leed gebragt.
De vierde is: geen wijn te drinken, want dit is de bron van vele ondeugden.
De vijfde is: uwe goederen wel te bewaren. Indien gij ze niet verkwist, zoo zullen zij u dienen, om voor gebrek bewaard te blijven. Men moet echter niet gierig zijn, noch te veel naar rijkdom trachten, want de gierigaard is een onnut schepsel voor zijne naasten, en die naar rijkdom haakt, komt in vele verzoekingen. Hebt gij nogtans geld, en gij besteedt dit op eene verstandige wijze, zoo zult gij u vele vrienden maken; maar zoo gij integendeel groote schatten hebt, en daarvan een slecht gebruik maakt, zal een ieder zich van u verwijderen.”
Om kort te gaan, Noureddin Ali liet niet na, zijn' zoon goede lessen te geven tot aan zijn' laatsten ademtogt. Na zijn' dood werd hij met groote pracht ter aarde besteld.
Bedreddin Hassan van Balsora (aldus genoemd, omdat hij in die stad geboren was) was zeer bedroefd over den dood van zijn' vader. In plaats van ééne maand, zoo als het gebruikelijk was, beweende hij hem twee maanden lang, en bragt dien tijd in afzondering door, zonder zelfs zijne opwachting bij den sultan te maken. Deze vorst was over zijne nalatigheid zeer vergramd, en beschouwde zulks als een blijk van minachting voor zijn' persoon en zijn hof. Hij liet in zijn' toorn den groot-vizier, die hij na den dood van Noureddin Ali had aangesteld, ontbieden, en beval hem zich naar het huis van den overledene te begeven, al zijne bezittingen in beslag te nemen, en Bedreddin Hassan voor hem te brengen.
De nieuwe groot-vizier begaf zich terstond op weg, om zijn' last te volbrengen, gevolgd door een groot aantal wachters en geregtsdienaars van het paleis. Een der slaven van Bedreddin Hassan, die zich onder de menigte bevond, en het oogmerk des viziers vernomen had, liep vooruit om zijn' meester van het hem dreigende gevaar te verwittigen. Hij vond hem op het balkon van zijne woning zitten, zoo diep bedroefd, alsof zijn vader pas gestorven was. Geheel buiten adem, wierp hij zich aan zijne voeten, en na den zoom van zijn kleed gekust te hebben, zeide hij: „Heer, red u, red u!” „Wat is er te doen?” vraagde Bedreddin, het hoofd opheffende. „Heer,” antwoordde de slaaf, „er is geen tijd te verliezen; de sultan is tegen u in vreeselijken toorn ontstoken, en men komt om al uwe goederen in beslag te nemen, en zich van uw' persoon te verzekeren.”
Deze woorden van den getrouwen slaaf deden Bedreddin Hassan ontstellen.
„Maar,” hernam hij, „heb ik den tijd niet om naar mijne kamer te gaan, en eenige edelgesteenten en geld mede te nemen!” „Neen heer!” antwoordde de slaaf, „de groot-vizier zal in een oogenblik hier zijn. Vertrek dadelijk en red u, of het is te laat.” Bedreddin Hassan rigtte zich van zijne sofa op, en sloeg zijn kleed over het hoofd om zijn gelaat te verbergen, en nam met overhaasting de vlugt, zonder te weten waar heen, om het hem dreigende gevaar te ontgaan. De eerste gedachte, welke hem inviel, was de naastbij gelegen stad te bereiken. Hij liep zonder ophouden door tot aan de openbare begraafplaats, en daar de nacht ophanden was, besloot hij dien bij de graftombe van zijn vader door te brengen, een prachtig monument in den vorm van een' koepel, dat Noureddin Ali nog bij zijn leven had doen stichten. Derwaarts gaande, ontmoette Hassan een' rijken jood, die bankier en tevens koopman was. De jood, die in de omstreken zaken gedaan had, keerde naar de stad terug. Hij herkende Bedreddin op het eerste gezigt, bleef staan en groette hem met den diepsten eerbied. „Heer!” sprak hij vervolgens, „mag ik de vrijheid nemen u te vragen, waar gij in dit late uur alleen heen gaat? Uwe gelaatstrekken zijn geheel ontstemd; is er iets, dat u hindert?” „Ja,” antwoordde Bedreddin, „mijn vader is mij in den slaap verschenen. Zijn gelaat was vreeselijk om aan te zien, en hij wierp een' toornigen blik op mij. Ik werd van schrik wakker en ijlde hier heen om mijn gebed op zijn graf te doen.” „Laat u die droom niet verontrusten, Heer!” zeide de jood, „uw vader had u bij zijn leven lief als zijne oogappels. Het is door de geheele stad bekend, dat gij een' zwaren rouw over hem hebt gedragen; hoe zou hij dan na zijn' dood toornig op u kunnen zijn? Het is mij een groote eer, dat gij den jood Izaäk veroorlooft, gemeenzaam met u te spreken; mag ik u nog een woord zeggen?” Bedreddin Hassan gaf een toestemmend teeken. „Wijlen de groot-vizier uw vader en mijn heer, zaliger gedachtenis, heeft, dat weet ik, vele rijk geladen schepen in zee, die u thans toebehooren; ik smeek u mij de voorkeur boven alle andere kooplieden te geven. Ik ben in staat de lading van al uwe schepen tegen kontant geld te koopen; en om een begin te maken, moest gij mij de lading van het eerste uwer schepen, dat de haven binnenkomt, voor duizend sequinen afstaan. Ik heb ze hier in eene beurs bij mij, en ben bereid ze u vooruit te betalen.” Dit zeggende, haalde hij onder zijn kleed eene groote beurs te voorschijn, met zijn cachet verzegeld, en vertoonde die aan Bedreddin Hassan.
In den toestand, waarin deze zich bevond, verjaagd uit zijne geboorteplaats, beroofd van alles, wat hij op de wereld had, beschouwde hij dezen voorslag van den jood als eene gunst des hemels. Hij nam dien dus met blijdschap aan. „Heer!” zeide nu de jood, „wij verstaan elkander immers goed, gij geeft mij voor duizend sequinen de lading van het eerste uwer schepen, dat deze haven zal binnenloopen?” „Ja, ik verkoop u die voor duizend sequinen,” antwoordde Bedreddin Hassan, „en hiermede is de zaak afgedaan.” De jood stelde hem nu onmiddelijk de beurs met duizend sequinen ter hand, en bood aan die voor te tellen. Bedreddin bespaarde hem die moeite, zeggende, dat hij hem wel vertrouwde. „Als dat zoo is,” hernam de jood, „zoo heb de goedheid, heer ('t is maar bij leven of sterven), mij van den door ons gesloten koop een schriftelijk bewijs te geven.” Dit zeggende, nam hij uit den inktkoker, die aan zijn' gordel hing, eene pen, benevens een strookje papier uit zijn zakboekje, bood hem dit schrijfgereedschap aan, en leende zijn' rug tot lessenaar. Bedreddin Hassan schreef nu deze woorden.
„Dit geschrift dient tot bewijs, dat Bedreddin Hassan van Balsora verkocht heeft aan den jood Izaäk, voor eene som van duizend sequinen, die hij verklaart ontvangen te hebben, de lading van het eerste zijner schepen, dat in deze haven zal binnenkomen.
Bedreddin Hassan van Balsora.”
De jood, dit bewijs in zijn zakboekje gelegd hebbende, nam afscheid en vervolgde, verblijd over een' zoo voordeeligen handel zijn' weg. Terwijl Izaäk naar de stad ging, begaf Bedreddin Hassan zich naar het graf van zijn' vader Noureddin Ali. Hier wierp hij zich met zijn aangezigt ter aarde, en met de oogen vol tranen, klaagde hij over zijn ongelukkig lot. „Helaas!” zuchtte hij, „ongelukkige Bedreddin, wat zal er van u worden? Waar zult gij eene veilige schuilplaats vinden tegen de vervolgingen van een' magtigen, maar onregtvaardigen vorst? Was het niet genoeg, getroffen te worden door het verlies van een' geliefden vader? Moet ook de fortuin mij den rug toekeeren en mijne smart vergrooten?” Lang bleef hij in deze houding; doch eindelijk rigtte hij zich op, en met het hoofd tegen de graftombe leunende, ging hij voort met klagen en zuchten, tot dat de slaap magtiger werd dan zijne droefheid. Hij legde zich op de zerk neder, strekte zich uit en sliep in.
Naauwelijks genoot hij het zoete van den slaap, toen een geest, die zijn verblijf bij dag op het kerkhof hield, en den nacht gebruikte om de wereld door te trekken, den jongeling gewaar werd bij de graftombe van Noureddin Ali. Hij naderde, en daar Bedreddin op zijn' rug lag te slapen, werd hij getroffen door de schoonheid van zijn gelaat. „Ziedaar,” sprak de geest bij zich zelven, „in waarheid een engel uit het paradijs, door Allah op aarde gezonden, om de wereld door zijne schoonheid in verbazing te brengen.” Met deze gedachte bezield, ving hij zijn' nachtelijken togt aan, en verhief zich hoog in de lucht, waar het toeval hem eene toovergodin deed ontmoeten. Beiden groetten elkander, en op de vraag van de toovergodin of hij ook iets nieuws wist, zeide hij: „Indien gij mij wilt volgen naar het kerkhof, waarop ik mijn verblijf houd, zoo zal ik u een natuurwonder laten zien, waarover gij u zult verbazen.” De godin stemde toe, en in een oogenblik bevonden zij zich op de aarde en bij de graftombe. „Welnu,” sprak de geest, haar op den slapenden Bedreddin Hassan wijzende, „hebt gij ooit een schooner en welgemaakter jongeling gezien dan deze?”
De toovergodin beschouwde Bedreddin met alle aandacht, en zich daarop tot den geest wendende, gaf zij ten antwoord: „Ik moet u toestemmen, dat hij zeer welgemaakt is; maar ik heb voor eenige oogenblikken te Caïro iemand gezien, die in nog hoogere mate onze bewondering verdient. Hebt gij lust mij aan te hooren, zoo zal ik er u meer van zeggen?” „Gij zult mij daarmede verpligten,” antwoordde de geest. „Weet dan,” vervolgde de toovergodin, „dat de sultan van Egypte een' groot-vizier heeft, Schemseddin Mohammed genaamd. Deze vizier heeft eene achttienjarige dochter, voorzeker de schoonste en bekoorlijkste maagd uit geheel Egypteland. De sultan, met de uitstekende schoonheid van dit jonge meisje bekend geworden, deed haar vader den groot-vizier vóór eenige dagen ontbieden, en zeide tot hem: „Ik ben onderrigt, dat gij eene huwbare dochter hebt, en ik wensch haar te huwen; gij zult mij zulks immers wel toestaan?” De vizier, op een dusdanig voorstel niet bedacht, geraakte eenigzins in verwarring, maar hij liet zich niet verblinden door eene verbindtenis, die de meeste hovelingen voor eene groote eer zouden hebben gerekend. „Sire!” antwoordde hij, „ik ben de eer niet waardig, die uwe majesteit mij wil aandoen, en ik smeek haar zeer onderdanig, mij van die gunst te verschoonen. Gij weet, sire, dat ik een' broeder had, genaamd Noureddin Ali, die te gelijk met mij uw vizier was. Wij kregen te zamen verschil, hetgeen ten gevolge had, dat hij eensklaps verdween, zonder dat ik iets van hem kon te weten komen; eerst vóór vier dagen heb ik vernomen, dat hij te Balsora als vizier van den sultan aldaar overleden is. Hij heeft echter een' zoon nagelaten, en daar wij ons vroeger verbonden hebben, onze kinderen te zamen te laten trouwen (in de veronderstelling, dat wij die zouden krijgen), zoo ben ik overtuigd, dat hij gestorven is met de gedachte aan dat huwelijk. Daarom zou ik ook gaarne mijne belofte willen nakomen, en ik bezweer uwe majesteit mij zulks te veroorloven. Er zijn aan dit hof vele andere hovelingen, die volwassen dochters hebben, en die gij met uwe verbindtenis kunt vereeren.” De sultan van Egypte was over deze afwijzing en over de vrijmoedigheid van Schemseddin Mohammed zeer gevoelig, en zich niet kunnende inhouden, zeide hij in toorn tot hem: „Vergeldt gij op deze wijze de goedheid van uw' heer, die zich wil vernederen om u tot schoonvader aan te nemen? Reken er op, dat ik mij genoegdoening zal weten te verschaffen voor de voorkeur, welke gij aan een ander boven mij, uw' heer, uw' meester en uw' weldoener, durft geven. Ik zweer u, dat uwe dochter geen ander tot man zal hebben, dan de geringste en de mismaaktste van mijne slaven.” Na deze woorden, zond hij den vizier toornig weg. Deze keerde geheel verslagen en diep bedroefd naar zijne woning terug.
Heden,” vervolgde de toovergodin, „heeft de sultan een' zijner stalknechten bij zich doen komen, van voren en van achteren gebogcheld, en zoo leelijk om er van te schrikken, en tot deze gezegd: „Ik heb eene vrouw voor u.” Daarop heeft hij zijn' vizier ontboden, en dezen gedwongen toe te stemmen in het huwelijk van zijne schoone dochter met den gedrogtelijken slaaf; hij heeft het kontrakt in zijne tegenwoordigheid doen opmaken en door getuigen laten onderteekenen. De toebereidselen tot dezen bespottelijken echt zijn reeds gemaakt, en op dit oogenblik bevinden zich al de slaven der Egyptische hovelingen, elk met een' fakkel in de hand, aan de deur van het badhuis. Zij wachten daar, tot dat de gebogchelde stalknecht uit het bad komt, om hem in statigen optogt naar zijne echtgenoot te brengen, die reeds geheel gekleed en gekapt is. Toen ik Caïro verliet, maakten de genoodigde hofdames zich gereed de jonge vrouw, in vollen bruidstooi, naar de zaal te geleiden, waar zij den gebogchelde ontvangen moet.”
Toen de toovergodin zweeg, zeide de geest tot haar: „Wat gij ook moogt zeggen, zuster, ik kan niet gelooven, dat de schoonheid van die jonge dame, die van dezen jongeling te boven gaat.” „Ik wil hierover niet met u twisten,” hernam de nimf, „maar u gaarne bekennen, dat hij ten volle waardig is, te trouwen met de schoone, welke voor dien bogchel bestemd is. Het komt mij voor, dat wij eene goede daad zouden verrigten, als wij ons verzetten tegen dezen onregtvaardigen dwang van den sultan, en dezen jongman de plaats van dien mismaakten slaaf deden innemen.” „Gij hebt gelijk,” hernam de geest, „en ik zeg u dank voor het gelukkige denkbeeld, dat gij geopperd hebt. Ik stem er in toe; laat ons de wraak van den sultan verijdelen, een' bedroefden vader troosten, en zijne dochter zoo gelukkig maken, als zij nu meent beklagenswaardig te zijn. Ik zal alle pogingen in het werk stellen om dit plan te doen gelukken, in de overtuiging, dat gij mij behulpzaam zult zijn. Ik belast mij om den jongeling, zonder dat hij ontwaakt, naar Caïro over te brengen, en het blijft aan uwe zorg aanbevolen, om, als wij ons doel zullen bereikt hebben, hem naar elders te vervoeren.”
Zoodra de toovergodin en de geest het aldus eens waren, nam de geest Bedreddin zachtjes in zijne armen op, voerde hem met eene onbegrijpelijke snelheid door de lucht, en legde hem neder voor de deur van eene herberg in de onmiddelijke nabijheid van het bad, dat de gebogchelde gereed was te verlaten met den slavenstoet, die op hem stond te wachten.
Toen Bedreddin Hassan ontwaakte, wreef hij zich de oogen en, rond ziende, was hij ten hoogste verbaasd, zich in eene hem onbekende stad te bevinden. Hij wilde zich tot een' der omstanders wenden om te vragen, waar hij was, doch de geest zijn oogmerk gissende, tikte hem op den schouder zeide dat hij geen woord moest spreken, en gaf hem een' fakkel in de hand. „Ga,” zeide hij, „meng u onder de slaven, die gij voor de deur van dat badhuis ziet, en begeef u met hen in eene groote zaal, waar men bruiloft houdt. De jong getrouwde man is een gebogchelde, zoodat gij hem ligtelijk kunt kennen. Plaats u aan zijne regterzijde, en open de beurs met sequinen, welke gij op uwe borst draagt, om den inhoud er van gedurende den optogt onder de muzijkanten, dansers en danseressen uit te strooijen. Als gij in de zaal zult zijn, verzuim dan niet het zelfde te doen onder de slavinnen, welke de bruid omgeven, zoo dikwijls zij in uwe nabijheid komen. Wees daarbij niet karig met uwe sequinen, maar strooit ze met volle handen. Volg naauwkeurig, wat ik u gezegd hebt; draag zorg uwe tegenwoordigheid van geest te bewaren; verwonder u over niets; vreest niets en verlaat er u op, dat deze zaak door eene hoogere magt in uw belang bestuurd wordt, en alzoo noodwendig een goed einde moet hebben.”
De jonge Bedreddin, dus door den geest onderrigt omtrent hetgeen hij te doen had, ging naar de deur van het badhuis, stak zijn' fakkel bij dien van een' der slaven aan, mengde zich onder hen, even als of hij aan eenig heer uit Caïro toebehoorde, stelde zich met hen in beweging, en voegde zich bij den gebogchelde, die, uit het bad komende, een paard besteeg uit de stallen van den sultan. Voorop gingen de muzijkanten, de dansers en de danseressen, en Bedreddin Hassan deed nu en dan een' greep in zijne beurs, en strooide zijne sequinen met milde hand uit. Hij deed dit met zooveel bevalligheid en op zulk eene verpligtende wijze, dat allen, die ze opraapten, de oogen op den strooijer vestigden, en hem zoo welgemaakt en schoon vonden, dat zij hunne blikken niet meer van hem konden afwenden.
Eindelijk bereikte men de woning van den vizier Schemseddin Mohammed, die zeker niet vermoedde, dat zijn neef zich zoo digt in zijne nabijheid bevond. De portiers, daar geplaatst om alle wanorde te voorkomen, weigerden de slaven, die de fakkels droegen, binnen te laten. Zij wezen zelfs Bedreddin Hassan af, maar de muzijkanten, voor wie de toegang openstond, bleven staan, en verklaarden niet te zullen binnen gaan, tenzij men ook Hassan toeliet. „Hij behoort niet tot het getal der slaven,” zeiden zij, „gij behoeft hem slechts aan te zien, om daarvan overtuigd te worden. Hij is buiten twijfel een jeugdig vreemdeling, die zich uit nieuwsgierigheid bij ons heeft gevoegd, ten einde ooggetuige te zijn van deze huwelijks-plegtigheden.” Dit zeggende, namen zij hem in hun midden en drongen door zonder zich om den tegenstand der deurwachters te bekommeren. Zij namen hem den fakkel af, gaven dien aan den eersten slaaf den beste, en bragten hem vervolgens in de zaal, waar zij hem plaats deden nemen naast den gebogchelde, die zich op een' prachtigen troon nederzette, bij de dochter van den vizier.
De bruid was in hare kostbaarste kleederen gedost, maar op haar schoon gelaat lag een waas van neêrslagtigheid, of liever eene doodelijke droefheid verspreid, waarvan de reden niet moeijelijk te gissen was, indien men slechts een' blik wierp op het gedrogt, dat aan hare zijde zat, en hare liefde zoo weinig waardig was. De troon van deze zoo slecht bij elkander passende echtgenooten was midden op eene groote sofa. De vrouwen van de emirs, van de viziers en van de kamerheeren des sultans zaten een weinig lager aan beide zijden, ieder naar haren rang, en allen rijk en smaakvol gekleed, zoodat hare schoonheid op het voordeeligst uitkwam, en men deze vrouwenschaar niet genoeg kon aanzien. Elk der dames hield eene brandende waskaars in de hand.
Toen Bedreddin Hassan binnentrad, wierpen de dames een' blik op hem; zijne vorstelijke houding en zijn schoon gelaat boeiden haar zoozeer, dat zij de oogen niet van hem konden afhouden. Zoodra hij gezeten was, bleef niet eene enkele terug, om hare plaats te verlaten en den schoonen jongeling te naderen, ten einde hem van meer nabij te zien, en de meeste der Caïrosche dames droegen, naar hare plaatsen terugkeerende, eene teedere genegenheid in haar hart mede.
Het groote verschil tusschen Bedreddin Hassan en den gebogchelden stalknecht liep zoo zeer in het oog, dat dit eene algemeene ontevredenheid bij het gezelschap te weegbragt. „Aan dezen schoonen jongeling,” riepen de dames, „en niet aan dien leelijken gebogchelde, moest men onze bruid geven.” Het bleef daar niet bij, sommigen gingen zoo ver zich in berispingen uit te laten tegen den sultan, omdat hij zijne magt aldus misbruikte, door het schoone met het mismaakte te vereenigen. Zij beschimpten den gebogchelde openlijk, en deden hem tot groot vermaak van het gezelschap zijne bedaardheid verliezen. Het gelach en gekuch, dat nu ontstond, bragt zelfs voor een oogenblik de muzijk tot zwijgen.
Eindelijk begonnen de muzijkanten weder te spelen, en de vrouwen die de bruid gekleed hadden, voegden zich bij haar, om haar te verkleeden, hetgeen op de maat der instrumenten tot honderdmalen toe plaats had.
Telkens als de jonggehuwde van kleed had verwisseld, stond zij op en ging, gevolgd door hare vrouwen, den gebogchelde voorbij, zonder hem met een' blik te verwaardigen, terwijl zij staan bleef voor Bedreddin Hassan, om zich aan hem in haren nieuwen tooi te vertoonen. De gebogchelde meende razend te worden, en wierp haar nijdige blikken toe, die hem nog afschuwelijker maakten. Dit had echter geen ander gevolg, dan dat het gezelschap begon te lagchen. Inmiddels verzuimde Bedreddin Hassan niet den raad van den geest te volgen, door zijne sequinen met milde hand uit te strooijen onder de vrouwen, welke hare meesteres vergezelden. Hij vergat ook de muzijkanten en de dansers niet, maar wierp hun nu en dan een handvol sequinen toe. Het was vermakelijk om te zien, hoe deze lieden elkander verdrongen, om de goudstukken op te rapen. Zij betuigden hem bij herhaling hunnen dank, en gaven hem door teekens hunnen wensch te verstaan, dat de jonggehuwde voor hem, en niet voor den gebogchelde, bestemd mogt zijn. De vrouwen zeiden hem het zelfde, zonder er zich om te bekommeren, of dit gehoord werd door den gebogchelden stalknecht, wien zij menigen trek speelden, tot groot vermaak der aanschouwers.
Toen de plegtigheid van het verwisselen der kleederen zoo dikwijls had plaats gehad als gebruikelijk was, hielden de muzijkanten op met spelen en verlieten de zaal, aan Bedreddin een teeken gevende, dat hij hen niet volgen, maar blijven moest. De dames stonden mede op, en verwijderden zich met allen die niet tot de huisgenooten behoorden. De bruid trad in een zijvertrek, gevolgd door hare vrouwen, die haar moesten ontkleeden. In de zaal bleven alleen de gebogchelde stalknecht, Bedreddin Hassan en eenige bedienden. De gebogchelde, hevig gebeten op Bedreddin, die hem den ganschen avond gehinderd had, zag hem van ter zijde aan, en vraagde op barschen toon: „En gij, waar wacht gij op? Waarom vertrekt gij niet, gelijk alle anderen? Pak u weg!” Daar Bedreddin geen voorwendsel kon vinden om te blijven, zag hij zich in verlegenheid gebragt en verwijderde zich. Naauwelijks echter bevond hij zich buiten de zaal, of de geest en de toovergodin vertoonden zich en hielden hem tegen. „Waar wilt gij heen?” vraagde de geest, „blijf gerust. De bogchel heeft de zaal voor een oogenblik verlaten, keer terug, en begeef u naar de kamer der bruid. Zoodra gij met haar alleen zijt, zeg' haar dan stout weg, dat gij haar man zijt; dat de sultan geen ander voornemen heeft gehad, dan zich ten koste van den gebogchelde te vermaken, en dat gij om dezen gewaanden echtgenoot te vreden te stellen, hem in zijn' stal een' goeden schotel room hebt laten toebereiden. Voeg er bij wat u voor den geest zal komen om haar te overtuigen. Bij uw gunstig voorkomen zal u dit niet moeijelijk vallen, en zij zal zich verheugen op eene zoo aangename wijze bedrogen te zijn. Wij zullen inmiddels zorg dragen, dat de bogchel niet terugkomt en u hindert.”
Terwijl de geest Bedreddin Hassan aldus aanmoedigde en hem onderrigtte, wat hij doen moest, had de bogchel werkelijk de zaal verlaten. De geest ging naar de plaats, waar heen hij zich begeven had, vertoonde zich aan hem in de gedaante van eene groote zwarte kat, en begon op eene verschrikkelijke wijze te maauwen. De gebogchelde stalknecht, de kat willende verjagen, schreeuwde en klapte in de handen, doch in plaats van de wijk te nemen, stelde zij zich op hare achterpooten, en zag hem met vlammende oogen aan. Zij begon nog sterker te maauwen, en maakte zich allengskens zoo groot als een ezelsveulen. Op dit gezigt wilde de bogchel om hulp roepen, maar de schrik had hem zoo zeer bevangen, dat hij met open mond bleef staan, zonder een enkel woord te kunnen uitbrengen. Ten einde hem geen' tijd te geven om tot zich zelven te komen, veranderde de geest zich terstond in een' buffel van vervaarlijke grootte, en riep hem met brullende stem toe: „Leelijke bogchel!” Op deze woorden viel de verschrikte stalknecht op den grond, bedekte zich het hoofd met zijn kleed, ten einde het vreeselijke beest niet voor oogen te hebben, en antwoordde bevende: „Opperste vorst der buffels, wat begeert gij van mij?” „Wee u!” herhaalde de geest, „gij hebt de vermetelheid gehad met mijne minnares te trouwen!” „Ach, mijn beste heer!” sprak de bogchel, „ik smeek u mij te willen vergeven. Indien ik misdadig ben, dan ben ik dit onwetend, want ik wist waarlijk niet, dat deze jonge dame een' buffel tot minnaar had. Beveel wat u zal behagen, ik beloof u eene onderdanige gehoorzaamheid.” „Bij hel en duivel!” riep de geest op brullenden toon', „indien gij van hier gaat of uw' mond opent, vóór dat de zon zal zijn opgegaan, of slechts een' kik geeft, zoo zal ik u den kop verpletteren. Eerst als de zon op is, veroorloof ik u dit huis te verlaten; maar doe het dan haastig en zonder achter u te zien. Zoo gij de stoutheid hebt er immer weder een' voet in te zetten, zoo zijt gij een man des doods.” Na deze woorden, nam de geest eene menschelijke gedaante aan, greep den bogchel bij de beenen, zette hem op het hoofd tegen den muur en vervolgde: „Indien gij u beweegt, vóór dat de zon is opgegaan, gelijk ik u reeds gezegd heb, zoo zal ik u andermaal bij de beenen nemen, en u tegen dezen muur den kop verpletteren.”
Doch laat ons thans tot Bedreddin Hassan terugkeeren. Aangemoedigd door den geest en door de tegenwoordigheid van de toovergodin, was hij naar de zaal teruggekeerd en onopgemerkt de bruidskamer binnen geslopen, waar hij zich nederzette, in afwachting, hoe het zou afloopen. Na eenigen tijd kwam de bruid, begeleid door eene oude vrouw, die bij de deur staan bleef, en haar binnen liet, waarna zij de deur sloot, en vertrok.
De jonge echtgenoot was ten hoogste verrast, in plaats van den bogchel, Bedreddin Hassan aan te treffen die zich met de grootste bevalligheid aan haar voorstelde. „Hoe nu, lieve gast!” zeide zij, „gij hier en dat op dit uur? Gij moet wel een groot vriend van mijn' man zijn.” „Neen, mevrouw!” antwoordde Bedreddin, „ik behoor tot een' geheel anderen stand, en heb met dien gebogchelden stalknecht geene verkeering.” „Maar,” hernam zij, „weet gij wel, dat gij kwaad van mijn' echtgenoot spreekt.” „Hij, uw echtgenoot, mevrouw!” hernam Hassan, „kondet gij waarlijk zoo lang in dat denkbeeld verkeeren? Dwaal dan niet langer; zoo vele volmaaktheden zijn niet bestemd om aan den verachtelijksten van alle mannen te worden opgeofferd. Zie in mij den gelukkigen sterveling, mevrouw! voor wien die bewaard zijn. De sultan heeft slechts zijn' vizier, uw' geachten vader, eene poets willen spelen, en hij heeft mij verkozen tot uw' wezentlijken echtgenoot. Gij hebt kunnen opmerken, hoe de dames, de muzijkanten, de dansers, uwe vrouwen en al uwe huisgenooten zich met deze komedie vermaakt hebben. Wij hebben den ongelukkigen bogchel weggezonden, die op dit oogenblik in zijnen stal aan een' schotel met room zit te smullen, waarmede hij zich troosten mag; want gij kunt er staat op maken, dat hij u nimmer weder onder de oogen zal komen.”
Na deze woorden veranderde het gelaat van de dochter des viziers. Bleek en ontdaan, meer dood dan levend, was zij de bruidskamer binnengekomen; maar thans verspreidde zich over haar aanminnig gelaat een blos van vreugde, die haar zoo schoon maakte, dat Bedreddin geheel verrukking werd. „Ik verwachtte zulk eene aangename verrassing niet,” zeide zij op liefelijken toon, „integendeel ik dacht het overige van mijn leven ongelukkig te zijn. Mijn geluk is echter thans zoo veel te grooter, daar ik in u een' man zal bezitten, die mijne genegenheid ten volle waardig is.” Dit gezegd hebbende, begaven zich beide ter rust.
Toen de jonge echtgenooten waren ingeslapen, zeide de geest tot de toovergodin, welke hij weder had opgezocht, dat het thans tijd werd de taak zij zoo goed aangevangen en bestuurd hadden, te voleinden. „Zorgen wij nu,” ging hij voort, „dat de dag ons niet verrasse. Vervul thans uwe taak en vervoer den jongen man, zonder hem wakker te maken.”
De nimf begaf zich in de kamer der gelieven, die beide in diepe rust waren, nam Bedreddin Hassan op, en vloog, vergezeld door den geest, met verwonderlijke snelheid naar Syrië tot voor de poort van Damaskus. Zij kwamen er aan juist, toen de mahomedaansche priester het volk opriep tot het morgengebed. De toovergodin legde Bedreddin bij de poort zachtjes op den grond neder, en verwijderde zich met den geest.
Kort daarop werd de poort geopend, en de menschen, die hierop in grooten getale wachtten, ten einde naar het veld te gaan, waren zeer verwonderd, Bedreddin Hassan aldaar te zien liggen in zijn nachtgewaad. De een zeide: „Hij heeft zeker zijn bed met zoo veel haast moeten verlaten, dat hem de tijd ontbroken heeft om zich te kleeden.” „Zie,” sprak een ander, „waartoe een mensch komen kan, als hij te diep in het glas heeft gekeken; ik wil wedden, dat hij dronken is geweest; naar buiten gegaan zijnde, heeft hij de deur niet terug kunnen vinden, is als een nachtwandelaar voortgescharreld en hier voor de poort in slaap gevallen. De koele nachtlucht zal hem wel goed gedaan en nuchteren gemaakt hebben; stoot hem eens aan!” Anderen spraken er weder anders over; ieder had wat te zeggen, maar niemand wist het regte. Juist ontblootte de wind zijne borst, die witter was dan sneeuw. Alle omstanders waren zoo verbaasd over deze bijzondere blankheid van vel, dat zij een' kreet van verwondering slaakten, die den jongman deed ontwaken. Deze was niet minder verwonderd, dat hij zich bevond bij de poort van eene hem onbekende stad, en omringd werd door eene menigte, die hem met nieuwsgierige blikken aanstaarde. „Mijne goede lieden,” zeide hij, „hebt de goedheid mij te zeggen, waar ik ben, en wat gij van mij wilt hebben?” Een uit hen nam het woord en antwoordde: „Jongeling! toen de poort geopend werd, en wij ons naar buiten spoedden, vonden wij u in dezen toestand. Hierover waren wij zoo verwonderd, dat wij zijn blijven staan om naar u te zien. Hebt gij hier den nacht doorgebragt? En weet gij wel dat gij aan eene der poorten van Damaskus zijt?” „Aan eene der poorten van Damaskus!” herhaalde Bedreddin. „Gij drijft den spot met mij. Toen ik mij dezen nacht ter rust begaf, was ik te Caïro.” „Het is jammer,” zeiden eenige der omstanders op een' medelijdenden toon, „dat een zoo welgemaakt jongeling zijn verstand heeft verloren.” En zij vervolgden hun' weg.
„Mijn zoon,” sprak nu een goedhartige grijsaard, „gij bedenkt niet, wat gij zegt, daar gij heden morgen te Damaskus zijt, hoe kunt gij dan gisteren avond te Caïro geweest zijn, dat meer dan zestig dagreizen van hier ligt. Dat is immers onmogelijk?” „En evenwel is het waarheid,” bragt Bedreddin in, „even waar, als dat ik gisteren den ganschen dag te Balsora heb doorgebragt.” Naauwelijks had hij dit gezegd, of allen, die nog waren blijven staan, borsten uit in schaterend gelach; terwijl sommigen riepen: „Het is een gek, het is een gek! Wat luisteren wij langer naar hem.” Eenigen echter beklaagden hem om zijne jeugd, en een man uit de menigte vooruit tredende, zeide tot hem: „Mijn zoon, gij moet niet bij uw verstand zijn, want gij weet niet wat gij zegt; is het mogelijk dat iemand gedurende den dag te Balsora, des nachts te Caïro, en des morgens te Damaskus zijn kan? Gij zijt zeker nog niet goed wakker; neem uwe zinnen eens bijeen.” „Wat ik u gezegd heb,” hernam Bedreddin Hassan, „is even waar, als dat ik gisteren avond in de stad Caïro met de dochter van den groot-vizier getrouwd ben.” Allen, die vroeger gelagchen hadden, schaterden het nu uit. „Gij zult dat alles gedroomd hebben, mijn zoon!” hernam de zelfde geduldige man, die hem reeds had toegesproken, „en nu staan die beelden u nog levendig voor den geest.” „Ik weet heel goed, wat ik zeg,” hernam Bedreddin, „maar zegt gij mij dan, hoe het mogelijk is, dat ik in den droom naar Caïro ben gegaan, waar men mijne echtgenoot, telkens in een nieuw kleed gedost, tot zevenmalen aan mij heeft voorgesteld; en hoe ik eindelijk een' afschuwelijken bogchel gezien heb, dien men haar tot man wilde geven, en hoe niet hij, maar ik bij de bruid ben toegelaten. Verklaar mij ook, wat er van mijn kleed, van mijn' tulband en van de beurs met sequinen is geworden, die ik te Caïro had.”
Hoewel Bedreddin aldus bij herhaling verzekerde, dat al deze zaken werkelijk zoo waren, dreven echter allen, die hem aanhoorden, er den spot mede en lachten hem uit. Dit bragt hem zoo in de war, dat hij eindelijk zelf niet meer wist, wat hij gelooven moest, van al hetgeen hem was overkomen. Na eenigen tijd stond hij op, en ging de stad in, gevolgd door de menigte, onder het geschreeuw van: „Een gek, een gek!” Op dit geroep zag men hier een hoofd uit het venster steken, daar eene deur open gaan, en anderen zich aansluiten bij degenen, die Bedreddin omgaven, en even luid riepen: „Een gek, een gek!” zonder dat zij eens wisten, wat er van de zaak was. Aldus voortgaande, kwam hij voorbij de woning van een' pasteibakker, die juist zijn' winkel opende. Hij nam een spoedig besluit en trad binnen, ten einde zich aan de schreeuwende volksmenigte te onttrekken.
De pasteibakker was vroeger aanvoerder geweest van een troep stroopende Arabieren, die er hun werk van maakten, om de karavanen uit te plunderen, en ofschoon deze rooverhoofdman, sedert hij zich te Damaskus had gevestigd, een bedaard leven leidde, en aan niemand reden tot klagen gaf, was hij echter bij allen, die hem kenden, gevreesd. Het gevolg hiervan was, dat een enkele donkere blik, dien hij op de volksmenigte wierp, voldoende was, om die uit een te doen gaan. De pasteibakker ziende, dat het volk zich verwijderde, deed den jongman, die in zulk eene zonderlinge kleeding eene toevlugt bij hem had gezocht, onderscheidene vragen; onder anderen, wie hij was, en hoe hij in zulk een' vreemden toestand te Damaskus kwam. Bedreddin Hassan verborg voor hem noch zijne geboorte, noch den dood van zijn' vader, den groot-vizier. Hierop verhaalde hij hem, waarom hij Balsora had verlaten, en hoe hij, na den vorigen nacht op de graftombe van zijn' vader in slaap te zijn geraakt, zich bij zijn ontwaken te Caïro had bevonden, alwaar hij eene zeer schoone jonge dame gehuwd had, en eindelijk, hoe groot zijne verbazing was, toen hij zich naar Damaskus verplaatst zag, zonder den sleutel van al deze wonderlijke gebeurtenissen te kunnen vinden.
„Uwe geschiedenis is inderdaad zeer wonderlijk,” zeide de pasteibakker, „doch indien gij mijn' raad wilt volgen, zoo spreek tegen niemand van alles, wat gij mij thans hebt medegedeeld. Wacht geduldig af, tot dat het den Hemel behagen zal, deze raadsels op te lossen en uwe rampen te doen ophouden. Even als op regen, zonneschijn volgt, zoo komen ook na treurige, vrolijke dagen. Gij kunt niet beter doen, dan bij mij te blijven, tot dat die gelukkiger tijd voor u zal zijn aangebroken; en daar ik geene kinderen heb, en uw voorkomen mij behaagt, zoo ben ik bereid u, indien gij er in toestemt, tot zoon aan te nemen. Dan kunt gij vrij door de stad gaan, zonder dat gij voor beleedigingen van het volk behoeft te vreezen; want men heeft ontzag voor mij.”
Ofschoon nu deze aanneming tot kind van een' pasteibakker juist geene eer was voor den zoon van een' groot-vizier, besloot echter Bedreddin dit voorstel niet af te slaan. Hij oordeelde te regt, dat hij in den ongelukkigen toestand, waarin hij verkeerde, niet te kiesch op het punt van eer moest zijn. De pasteibakker liet hem behoorlijk kleeden, nam getuigen mede, en legde voor den kadi de verklaring af, dat hij Bedreddin Hassan tot zoon aannam. De jonge man bleef nu bij zijn' aangenomen vader inwonen onder den eenvoudigen naam van Hassan, en leerde het pasteibakken.
Terwijl dit te Damaskus voorviel, ontwaakte de dochter van Schemseddin Mohammed, en Bedreddin aan hare zijde missende, meende zij, dat hij was opgestaan, zonder haren slaap te willen storen, en dat hij wel spoedig zou terugkomen. Zij wachtte nog op zijne terugkomst, toen haar vader, de vizier Schemseddin Mohammed, verontwaardigd, over de beleediging, welke hij geloofde van den sultan van Egypte ondergaan te hebben, aan de deur van hare kamer tikte, met voornemen om haar treurig lot met haar te beweenen. Hij riep zijne dochter bij haren naam, en zij, zijne stem herkennende, haastte zich om op te staan en hem open te doen. Zij kuste haren vader de hand, en ontving hem met een zoo blij gelaat, dat de vizier, die verwachtte haar in tranen te zullen vinden, daarover ten hoogste verbaasd werd. „Ongelukkige!” riep hij toornig uit, „verschijnt gij aldus voor mij? Kunt gij, na het vreeselijke offer, dat gij hebt moeten brengen, mij zulk een blij gelaat toonen?”
Toen de jonge vrouw zag, dat haar vader haar de vreugde verweet, waarvan zij blijken gaf, zeide zij: „Lieve vader, bespaar mij, bid ik u, zulke onverdiende verwijten. Ik ben niet met den gebogchelden stalknecht, dien ik tot in den afgrond verwensch, ik ben niet met dat afschuwelijke monster gehuwd. Men heeft hem zoo beschimpt en in verlegenheid gebragt, dat hij gedwongen werd zich in zijn' stal te gaan verbergen, en dat hij plaats heeft moeten maken voor een' schoonen jongeling, die mijn ware echtgenoot is.” „Welk een fabeltje vertelt gij mij daar,” viel Schemseddin Mohammed toornig in, „hoe, de bogchel zou niet uw man zijn?” „Neen, vader,” antwoordde zij, „ik heb niemand anders tot man, dan den jongeling met zijne schoone oogen en groote gitzwarte wenkbraauwen, van wien ik u gesproken heb.” Op deze woorden verloor de vizier het geduld, en voer in toorn tegen zijne dochter uit: „Onwaardige! wilt gij mij het verstand doen verliezen met uwe laffe sprookjes?” „Gij zijt het, vader,” hernam zij, „die mij zinneloos zoudt maken door uwe ongeloovigheid.” „Het is dus niet waar,” hernam de vizier, „dat de bogchel....”
„Ach! laten wij den bogchel daar,” viel zij met drift in, „verwenscht zij dat wezen! Zal ik dan altoos van dien bogchel hooren spreken? Ik herhaal u nogmaals, vader, niet hij, maar de lieve man, van wien ik u zoo even sprak, en die niet verre van hier kan zijn, is mijn man geworden.” Schemseddin Mohammed, nu niet meer wetende, wat hij er van denken moest, verliet het vertrek van zijne dochter, om dien lieven man met zijne schoone oogen en gitzwarte wenkbraauwen, indien hij niet in haren droom, maar in wezentlijkheid bestond, te gaan opzoeken; doch in plaats van hem te ontmoeten, vond hij, tot zijne niet geringe verbazing, den bogchel, die met het hoofd omlaag en de beenen omhoog tegen den muur stond, in de zelfde houding, waarin de geest hem geplaatst had. „Wat moet dit beteekenen?” vraagde hij, „wie heeft u in dezen toestand geplaatst?” De gebogchelde, den vizier herkennende, gaf hem ten antwoord: „Ach! gij zijt het dan, die mij wildet doen trouwen met de minnares van een' buffel, het liefje van een' kwaadaardigen geest? Ik zal zoo dwaas niet zijn, en gij zult mij niet beet hebben.”
Toen Schemseddin Mohammed den gebogchelde op dergelijke wijze hoorde spreken, dacht hij, dat deze raaskalde, en zeide tot hem: „Keer je om, en ga op je beenen staan, slaaf!” „Ik zal er mij wel voor wachten,” hernam de gebogchelde stalknecht van den sultan, „eerst moet de zon zijn opgegaan. Toen ik gisteren avond hier heen ging, stond er plotseling eene zwarte kat voor mij, op zijne achterpooten, en met oogen, die als kolen vuur glommen. Ik wilde haar wegjagen, maar ja wel, zij bleef, en maakte zich van lieverlede zoo groot als een buffel. Ik heb nog niet vergeten, wat deze tot mij gezegd heeft. Daarom, ga aan uwe bezigheden, en laat mij hier.” In plaats van hieraan te voldoen, nam de vizier hem bij de beenen, en zette hem met een' snellen draai op zijne voeten. Terstond nam nu de bogchel een loopje en ijlde het huis uit zonder achterom te zien, juist zoo als de geest hem had bevolen. Hij liep naar het paleis en liet zich bij den sultan van Egypte aandienen, aan wien hij, tot groot vermaak van dien vorst, zuchtende zijn beklag deed over de behandeling, welke hij van den geest had ondergaan.
Schemseddin Mohammed nog meer in het onzekere gebragt, over hetgeen er gebeurd was, keerde naar het vertrek van zijne dochter terug. „Welnu, bedrogene dochter!” zeide hij, „kunt gij mij geene nadere inlichting geven omtrent een voorval, dat mij verbaast en in verwarring brengt?” „Heer,” antwoordde zij, „ik kan u niets anders mededeelen, dan hetgeen ik reeds de eer heb gehad, u te zeggen. Maar zie hier de kleeding van mijn' echtgenoot, welke hij op dezen stoel heeft achtergelaten. Misschien kan zij u de opheldering geven, waarnaar gij verlangt.” Dit zeggende bood zij haren vader den tulband van Bedreddin aan. De vizier bezag hem naauwkeurig. „Ik zou hem,” zeide hij, „voor een' viziers-tulband houden, indien hij niet naar de mode van Moussoul was.” Bemerkende, dat er iets tusschen de stof en de voering zat, vraagde hij eene schaar, en de voering losgetornd hebbende, vond hij een toegevouwen papier. Dit was het geschrift, dat Noureddin Ali op zijn sterfbed aan zijn' zoon Bedreddin had gegeven, die het, om het te zekerder te bewaren, in zijn' tulband verborgen had. Toen Schemseddin Mohammed het papier geopend had, herkende hij terstond het schrift van zijn' broeder Noureddin Ali, en las dit opschrift:
„Voor mijn' zoon Bedreddin Hassan.”
Vóór dat hij over deze zaak kon nadenken, stelde zijne dochter hem tevens de beurs ter hand, welke zij onder het kleed van haren man gevonden had. Hij opende ook deze; die nog vol sequinen was, want hoe mild Bedreddin Hassan ook was geweest, de geest en de toovergodin hadden gezorgd, dat de beurs altoos gevuld was gebleven. Schemseddin las op een briefje, dat aan de beurs gespeld was:
„Duizend sequinen toebehoorende aan den jood Izaäk.”
En daar onder, hetgeen door den jood was geschreven, alvorens hij van Bedreddin Hassan scheidde:
„Terhandgesteld aan Bedreddin Hassan, voor de aan mij verkochte lading van het eerste zijner schepen, dat de haven zal binnenloopen, en welke schepen vroeger het eigendom waren van zijn' vader Noureddin Ali, zaliger gedachtenis.”
Toen de vizier deze woorden gelezen had, gaf hij een' gil en viel in onmagt. Zoodra hij door de hulp van zijne dochter en van hare vrouwen, welke zij geroepen had, weder bij zijne kennis kwam, zeide hij tot haar: „Lieve dochter! verontrust u niet, over hetgeen mij is overkomen. Als ik u zal gezegd hebben, wat daartoe aanleiding gaf, zult gij mij naauwelijks kunnen gelooven. Verneem dan, dat dit geschrift mij het bewijs geeft, dat uw' echtgenoot de eenige zoon van mijn' jongeren en thans overleden broeder Noureddin Ali is. De duizend sequinen, die in deze beurs zijn, herinneren mij een' twist, dien ik met dezen broeder gehad heb; zij zijn ongetwijfeld bestemd tot een huwelijksgift, die hij u doet toekomen. Allah zij geloofd!” Vervolgens sloeg hij de oogen op het schrift van zijn' broeder, kuste dit herhaalde malen en bevochtigde het met zijne tranen. „Ach!” riep hij uit, „mogt ik even als dit geschrift van zijne hand, dat mij zoo veel vreugde schenkt, ook dien lieven broeder zelven voor mij hebben, om mij met hem te kunnen verzoenen.”
Hij las nu het geschrevene geheel door, en vond daarin de dagteekeningen van de aankomst zijns broeders te Balsora, van diens huwelijk en van de geboorte van Bedreddin Hassan. Het waren de zelfde dagen van zijn huwelijk en van de geboorte zijner dochter te Caïro. Hij overwoog daarbij, dat zijn neef werkelijk, zoo als hij eens met zijn' broeder gedweept had, zijn schoonzoon was, en gaf zich geheel aan de vreugde over. Hij nam het geschrift en het opschrift van de beurs, en begaf zich daarmede naar den sultan. De vorst was zoo verrast over deze onvoorziene gebeurtenis, dat hij zijn' vizier weder in genade aannam, en zijne geschiedenis in geschrift liet brengen, opdat zij voor de nakomelingschap bewaard mogte blijven.
Intusschen kon Schemseddin Mohammed zich de zonderlinge verdwijning van zijn' neef en schoonzoon niet begrijpen, en na hem gedurende zeven dagen te vergeefs terug te hebben verwacht, deed hij door geheel Caïro naar hem zoeken. Maar hoeveel moeite hij zich gaf, hij kon niets van hem vernemen. Dit baarde den vizier eene groote ongerustheid; wat reden kon Bedreddin hebben, zijne schoone jonge vrouw dus te verlaten; was het vrees voor den sultan, die hem naar elders de wijk had doen nemen? Hij wist het niet, en moest de oplossing van dit raadsel aan de toekomst overlaten.
In de onzekerheid, wat in het vervolg zou kunnen plaats hebben, achtte de vizier het noodig, het voorgevallene op te teekenen, tot zelfs de staat van zijne huishouding, de wijze waarop de zaal en de bruidskamer van zijne dochter gemeubeld waren, en alles wat verder op dit zonderlinge huwelijk betrekking had. Ook maakte hij van den tulband, de beurs en de verdere kleedingstukken van Bedreddin een pakje en sloot dit zorgvuldig weg.
Eenige maanden na haar huwelijk kreeg de dochter van den vizier een' zoon. Men gaf het kind eene min, en vrouwen en slavinnen om het op te passen. Zijn grootvader gaf hem den naam van Agib. Toen de jonge Agib zijn zevende jaar had bereikt, zond de vizier Schemseddin Mohammed hem, in plaats van een' huisonderwijzer te nemen, naar de school bij een' leermeester, die in een' zeer goeden naam stond. Twee slaven moesten hem dagelijks naar school brengen en terughalen. Agib was een levendige jongen; hij speelde gaarne met zijne schoolmakkers, en daar deze allen in rang beneden hem stonden, waren zij zeer voorkomend jegens hem. Zij regelden zich daarbij naar den leermeester, die bij het kleinzoontje van den vizier veel door de vingers zag, wat hij bij hen niet ongestraft liet. Deze blinde toegevendheid, welke zoowel de meester als de scholieren voor hem hadden, was voor Agib hoogst nadeelig; hij werd daardoor hoogmoedig en vol dwaze inbeelding. Hij verlangde, dat zijne makkers alles van hem moesten verdragen, zonder dat hij van hen iets wilde verduren. Hij speelde bij elke gelegenheid den baas, en zoo een zijner schoolkameraden den moed had zich tegen zijne dwingelandij te verzetten, dan wierp Agib hem allerlei beleedigingen naar het hoofd, ja, somtijds ontzag hij zich niet, hem te slaan. In één woord, hij werd zoo onverdragelijk voor zijne medescholieren, dat zij zich gezamentlijk over hem bij den leermeester beklaagden. Deze vermaande hen in den beginne, om geduld met hem te hebben; maar toen hij zag, dat Agib daardoor in het kwade gestijfd werd, en toen ook hij eindelijk het geduld begon te verliezen, zeide hij tot zijne leerlingen: „Kinderen! ik zie wel, dat Agib een onverbeterlijke en moedwillige knaap is. Ik wil u daarom een middel aan de hand geven, waardoor gij hem zoo beschamen zult, dat hij u daarna niet meer zal plagen; ik denk zelfs niet, dat hij weder school zal komen. Als hij morgen komt, en gij te zamen zult spelen, vormt dan een' kring om hem, en een uit u moet hardop zeggen: „Wij willen gaan spelen, jongens, maar onder beding, dat allen, die wenschen mede te doen, den naam van hunne ouders moeten opgeven. Die dit niet doen, mogen niet met ons medespelen.””
Zoodra zij den volgenden morgen allen bijeen waren, omringden zij Agib, en een van hen het woord opvattende, riep: „Laat ons gaan spelen, jongens! maar onder beding, dat hij die den naam van zijne ouders niet weet te noemen, niet mag medespelen.” „Goed zoo!” riepen allen en ook Agib zelf. De knaap, die het voorstel gedaan had, ging nu den kring rond en deed den eenen na den anderen de genoemde vraag. Allen voldeden hieraan, uitgenomen Agib, die ten antwoord gaf: Ik heet Agib, mijne moeder wordt genoemd, Parel van Schoonheid, en mijn vader, Schemseddin Mohammed, vizier van den sultan. De scholieren barstten in een schaterend gelach uit, en riepen: „Neen, neen, het is uw grootvader, en gij moogt niet met ons spelen. Wij willen zelfs niet met u omgaan!” Dit zeggende, verwijderden zij zich, bespotten hem, en gingen voort onder elkander te lagchen. Agib werd zoo beschaamd over hunne spotternijen, dat hij in tranen uitbarstte.
De leermeester, die alles afgeluisterd en aangehoord had, ging nu naar den schreijenden knaap en zeide tot hem: „Agib, weet gij dan nog niet, dat de vizier Schemseddin Mohammed uw vader niet is? Hij is uw grootvader, de vader van uwe moeder, Parel van Schoonheid. De naam van uw' vader is ons even onbekend als u; wij weten alleen, dat de sultan uwe moeder heeft willen uithuwelijken aan een' gebogchelden stalknecht, maar dat een geest zijne plaats bij uwe moeder heeft ingenomen. Dit is ongelukkig voor u, en moet u leeren in het vervolg uwe schoolmakkers met minder trotschheid te behandelen.”
Agib, gevoelig voor de plagerijen van zijne makkers, en niet bevredigd door hetgeen de meester tot hem gezegd had, verliet norsch de school en liep weenende naar huis. Hij ging dadelijk naar de kamer zijner moeder, welke ontstelde, toen zij hem zoo droevig zag, en met aandrang naar de reden daarvan vraagde. Hij kon slechts met half afgebroken woorden en met tranen antwoorden, zoo overstelpt van droefheid was de knaap. Zijne moeder moest hare vraag verscheidene malen herhalen, eer hij zich in staat bevond, haar de beschamende reden van zijn schreijen mede te deelen. „En,” vervolgde hij met drift, „zeg mij dan nu toch, moeder, als ik u bidden mag, wie is mijn vader?” „Wel, kind,” antwoordde zij, „hoe kunt gij nu zoo vragen, dit is immers de vizier Schemseddin Mohammed, die zoo goed voor u is.” „Gij zegt mij de waarheid niet,” bragt Agib in, „dat is mijn vader niet, maar de uwe. Maar wie is mijn vader?” Deze vraag herinnerde de viziersdochter aan haren bruidsnacht, die door een' zoo langen weduwe-staat gevolgd was, en zij kon hare tranen niet bedwingen, bij de gedachte aan het grievende verlies van zulk een' beminnelijken echtgenoot als Bedreddin.
Terwijl moeder en zoon om het hardst weenden, trad Schemseddin Mohammed binnen, en wilde de reden van deze droefheid weten. Zijne dochter zeide hem, welke beleediging Agib op de school ondervonden had, en de vizier, hierover zeer getroffen, mengde zijne tranen met de hunne. Tevens begreep hij, dat men in het openbaar niet meer met lof van zijne dochter sprak. Dit denkbeeld alleen maakte den hooghartigen man wanhopig; hij ging onverwijld naar het paleis van den sultan, wierp zich aan zijne voeten, deelde hem het gebeurde mede, en verklaarde, dat het hem onverdragelijk was te moeten hooren, dat de geheele stad de echtgenoot van zijne dochter voor een geest hield. Hij smeekte hem uit dien hoofde zeer eerbiedig naar Balsora en omliggende landen te mogen reizen, om zijn' neef Bedreddin Hassan op te zoeken. De sultan nam deel in de smart van zijn vizier, billijkte die, stond hem het gevraagde verlof toe en liet hem gaan met den wensch, dat hij zijn doel mogt bereiken. Den volgenden dag zond de sultan hem een' open brief, waaraan hij zijn grootzegel gehecht had, en waarin hij de vorsten en overheden van de plaatsen, waar Bedreddin zich mogt ophouden, verzocht hem aan zijn' vizier uit te leveren.
Schemseddin Mohammed kon geene woorden genoeg vinden om den sultan voor zijne goedheid, naar waarde, dank te zeggen. Hij wierp zich andermaal voor de voeten van zijn' vorst neder, en de tranen, die in zijne oogen stonden, waren de getrouwe getuigen van zijne opregte dankbaarheid. Eindelijk nam hij afscheid van den sultan, na hem alle mogelijke heil te hebben toegewenscht.
Toen de vizier in zijne woning terugkwam, was hij op niets anders bedacht, dan om alles voor de reis gereed te maken. Hij wendde hierbij zoo veel spoed aan, dat hij reeds den vierden dag vertrok, vergezeld door zijne dochter Parel van Schoonheid en door zijn' kleinzoon Agib.
Schemseddin Mohammed sloeg den weg naar Damaskus in, en reisde negentien dagen door, zonder zich ergens op te houden; maar op den twintigsten dag eene schoone en grasrijke vlakte in de nabijheid van Damaskus bereikt hebbende, liet hij daar zijne tenten opslaan aan den kant eener rivier, welke midden door de stad liep, en wier oevers zeer vruchtbaar waren. De vizier gaf te kennen, dat hij in deze schoone landstreek twee dagen rust wilde houden, en dat hij eerst den derden dag de reis naar Balsora zoude voortzetten.
Inmiddels gaf hij aan zijn gevolg verlof, Damaskus te bezoeken. Bijna allen maakten hiervan gebruik; sommigen uit nieuwsgierigheid, anderen om er de waren, die zij uit Egypte hadden medegebragt, te verkoopen. Parel van Schoonheid verlangde, dat ook haar zoon Agib het genoegen mogt smaken, die vermaarde stad te bezigtigen, en beval zijn' gouverneur, een' zwarte, hem derwaarts te vergezellen en goed zorg te dragen, dat hem niets kwaads overkwam.
Agib, prachtig uitgedost, begaf zich op weg met den slaaf, die een' dikken rotting in de hand had. Zij waren naauwelijks binnen de stad gekomen, of Agib, die zeer schoon was, trok aller aandacht tot zich. Sommigen der bewoners verlieten hunne huizen om hem van meer nabij te zien, anderen staken het hoofd uit de vensters, en zij, die hem op straat ontmoetten, bleven niet alleen stilstaan, maar velen volgden hem, ten einde hem langer te kunnen gadeslaan. Om kort te gaan, iedereen bewonderde hem en noemde den vader en de moeder, die zulk een schoon kind bezaten, duizendmaal gelukkig. Het toeval bragt den slaaf en Agib voor den winkel van Bedreddin Hassan, en hier was de toeloop van volk zoo groot, dat zij genoodzaakt waren te blijven staan.
De pasteibakker, die Bedreddin Hassan tot zoon had aangenomen, was reeds voor eenige jaren overleden, en had hem zijn' winkel en al zijne goederen nagelaten. Bedreddin was dus thans eigenaar van den winkel, en hij kweet zich zoo goed van zijn beroep, dat hij door geheel Damaskus als pasteibakker beroemd was. Toen hij zoo veel volk voor zijne deur zag en bespeurde, dat aller oogen op den zwarten slaaf en Agib gerigt waren, nam hij hen naauwkeurig op, vooral Agib, bij wiens aanblik hij ontroerde.
Bedreddin Hassan werd echter niet zoo zeer getroffen door de verblindende schoonheid van dit kind, zoo als de volksmenigte, een teederder en onverklaarbaar gevoel greep hem aan; het was de stem des bloeds, die in zijn hart sprak, zonder dat hij zich daarvan reden kon geven. Op eene zoo onverklaarbare wijze aangetrokken, verliet hij zijne bezigheden, naderde Agib, en zeide op innemenden toon tot hem: „Schoone jongeling! Gij hebt mijn hart gewonnen; bewijs mij de gunst, in mijn' winkel te komen en iets van mijn gebak te proeven, opdat ik het genoegen smake, u op mijn gemak te aanschouwen.” Hij sprak deze woorden met zoo veel vaderlijke teederheid, dat de tranen hem in de oogen kwamen. De kleine Agib werd er door getroffen, en zich tot den slaaf wendende, zeide hij: „Die goede man spreekt op zulk een' innemenden toon, dat ik gaarne aan zijn verzoek zou voldoen. Laat ons bij hem binnen gaan, en zijn gebak proeven.” „Het zou wat moois zijn,” antwoordde de slaaf, „dat gij, de zoon van een' vizier, een' banketbakkers-winkel zoudt binnen gaan, om u te laten onthalen. Meen niet, dat ik zulks zal toestaan.” „Inderdaad, jongeling!” riep thans Bedreddin Hassan, „het is wel hard, dat men u iemand tot leidsman heeft gegeven, die u met zoo veel gestrengheid behandelt! En gij, goede vriend!” vervolgde hij, zich tot den slaaf wendende, „vergun dezen jongen heer mij de gunst te bewijzen, waarom ik hem verzocht heb; bedroef mij niet, door u daartegen te verzetten. Bewijs mij liever de eer, met hem binnen te komen; gij zult daardoor toonen, dat, al is uw vel zoo bruin als een kastanje, gij van binnen blank zijt. Weet gij wel, dat ik de kunst versta,” ging hij schertsende voort, „uwe zwarte huid blank te maken.” De slaaf begon te lagchen en vroeg Bedreddin, hoe hij dat zou aanleggen. „Dat zal ik u zeggen,” antwoordde hij, zeide vervolgens een vers op, tot lof van de zwarte slaven, er bijvoegende, dat door hunne waakzaamheid de eer werd gehandhaafd, zoowel van den sultan als van de vorsten en grooten des rijks, die anders gemakkelijk bedrogen konden worden. De slaaf was met dit lofdicht op zijn ras zeer ingenomen, en ging zonder langer het verzoek van Bedreddin te weerstreven, met Agib den winkel binnen.
Bedreddin Hassan was zeer verblijd, toen hij zijn' wensch vervuld zag, en zijn werk weder opnemende, zeide hij: „Ik ben bezig met roomtaartjes te maken; gij moet mij de gunst bewijzen er eenigen te proeven; ik ben zeker, dat gij ze voortreffelijk zult vinden, want mijne moeder, welke dit uitnemend verstond, heeft mij geleerd, die te bereiden, en men komt ze van wijd en zijd bij mij halen.” Bij deze woorden nam hij eene roomtaart, zoo warm uit den oven, strooide er suiker en granaat-korrels over en bood haar Agib aan, die ze overheerlijk vond. De zwarte slaaf, aan wien Bedreddin mede zijn deel gaf, was van het zelfde gevoelen.
Terwijl beide zaten te eten, sloeg Bedreddin Hassan zijn' jeugdigen gast met de grootste aandacht gade, en hem aanziende, kwam de gedachte bij hem op, dat hij misschien ook wel zulk een' zoon had bij de bekoorlijke gade, van welke hij op zulk een wreede wijze was gescheiden. Dit denkbeeld deed hem de tranen in de oogen komen. Hij was voornemens aan Agib eenige vragen te doen over de oorzaak van zijne reis naar Damaskus; maar het kind had den tijd niet zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, daar de slaaf hem herinnerde, dat zij naar het kamp van zijn' grootvader moesten terugkeeren, en, zoodra zij gegeten hadden, stond hij op en vertrokken zij. Bedreddin Hassan vergenoegde zich met hen na te zien, hij sloot haastig zijn' winkel, en volgde hen van nabij.
Toen zij aan de poort der stad kwamen, had Bedreddin hen ingehaald. De slaaf hem ziende, zeide toornig: „Lastig mensch! wat verlangt gij van ons?” „Goede vriend,” antwoordde Bedreddin, „word niet boos. Ik herinnerde mij, dat ik buiten de stad eene boodschap te verrigten had, die ik thans wil doen.” Dit antwoord bevredigde echter den zwarte niet, en zich tot Agib wendende, zeide hij: „Dat hebt gij mij nu op den hals gehaald. Ik heb wel voorzien, dat mijne inschikkelijkheid mij berouwen zou. Gij wildet volstrekt den winkel van dien man binnen gaan, en ik ben dwaas genoeg geweest, u dit te veroorloven.” „Misschien,” zeide Agib, „heeft hij werkelijk iets buiten de stad te doen, en de wegen zijn immers voor ieder vrij!” Hierop gingen zij voort, zonder om te zien, tot dat zij in de nabijheid der tenten van den vizier kwamen, toen keerden zij zich om, ten einde te zien, of de pasteibakker hen nog altoos volgde. Agib bemerkende, dat hij naauwelijks twee schreden van hen verwijderd was, werd door ontroering beurtelings rood en bleek. Hij was beducht, dat zijn grootvader, de vizier, zou vernemen, dat hij bij een' banketbakker was ingegaan en daar gegeten had. Door deze vrees gedreven, raapte hij een' grooten steen op, die voor zijne voeten lag, en wierp dien den lastigen vervolger vlak voor het hoofd, zoodat diens gelaat met bloed overdekt werd. „Gij hebt slechts uw verdiend loon,” sprak de slaaf, „wat behoeft gij ons te volgen.” En Agib een' wenk gevende, liepen beide snel van daar, tot dat zij het kamp bereikt hadden. Bedreddin keerde naar de stad terug, en zocht het bloed, dat uit zijne wonde liep, met zijn voorschootje, dat hij in der haast had aangehouden, te stelpen. „Ik heb ongelijk gehad,” mompelde hij in zich zelven, „mijn huis te verlaten, om dit kind bang te maken, want hij zou mij zoo niet hebben behandeld, als niet de gedachte bij hem was opgekomen, dat ik iets kwaads in den zin had.” Te huis komende, liet hij zijne wonde verbinden, en troostte zich over dit ongeval, met de gedachte, dat zich op de wereld eene menigte menschen bevonden, die vrij wat ongelukkiger waren dan hij.
Terwijl Bedreddin Hassan alzoo zijn beroep van pasteibakker te Damaskus bleef uitoefenen, vertrok zijn oom Schemseddin Mohammed op den derden dag weder van daar, en reisde over Aleppo, waar hij den Euphraat overtrok, door Mesopotamië, naar Balsora. Terstond bij zijne aankomst liet hij bij den sultan gehoor verzoeken. Deze, onderrigt van den hoogen rang, dien Schemseddin Mohammed aan het hof van Egypte bekleedde, ontving hem zeer vriendelijk, en vraagde hem naar de oorzaak van zijne reis naar Balsora. „Sire!” antwoordde de vizier Schemseddin Mohammed, „ik ben hier gekomen, om onderzoek te doen naar het verblijf van den zoon mijns broeders Noureddin Ali, die de eer gehad heeft uwe majesteit te dienen.” „Reeds lang is Noureddin Ali overleden,” gaf de sultan ten antwoord. „Wat zijn' zoon betreft, al wat men er u van zeggen kan is, dat hij, omstreeks twee maanden na den dood zijns vaders, plotseling is verdwenen, en dat men hem sedert niet terug heeft gezien, hoeveel moeite ik mij ook heb gegeven, om hem te doen opsporen. Zijne moeder echter, welke de dochter is van een' mijner viziers, is nog in leven.” Schemseddin verzocht hem nu verlof haar te mogen zien, en haar, indien zij daar niet tegen had, mede naar Egypte te nemen. De sultan stemde hierin toe, en Schemseddin, niet tot den volgenden dag willende uitstellen, wat hij zoo vurig verlangde, liet zich de woning van zijne schoonzuster wijzen, en ging haar onmiddelijk een bezoek brengen, vergezeld door zijne dochter, Parel van Schoonheid, en door zijn' kleinzoon Agib.
De weduwe van Noureddin Ali woonde nog altijd in het huis, dat haar man tot zijn' dood betrokken had. Het was een zeer schoon gebouw, met marmeren kolommen versierd; maar Schemseddin Mohammed hield zich niet op, om het te bewonderen. Bij zijne komst zag hij bij de deur eene marmeren plaat, waarop de naam van zijn broeder met gouden letters te lezen stond. Zijn gemoed schoot vol, en hij kuste dien dierbaren naam. Hij liet zich vervolgens bij zijne schoonzuster aandienen. Eene slavin zeide hem, dat zij in den koepel was, die midden in den prachtigen tuin stond, en welke zij hem aanwees. Inderdaad, deze teedere moeder had de gewoonte een groot gedeelte van den dag in dezen koepel door te brengen, dien zij had doen bouwen tot grafmonument voor haren geliefden Bedreddin Hassan, welken zij, na zoo lang te vergeefs, op zijne terugkomst gewacht te hebben, als dood beweende. Ook thans zat zij het verlies van dien beminden zoon te betreuren, en Schemseddin Mohammed trof haar aan in eene diepe droefgeestigheid. Hij groette haar, en na haar verzocht te hebben, die tranen en zuchten te bedwingen, maakte hij zich bekend als haar schoonbroeder, en zeide haar ook de reden, die hem had bewogen Caïro te verlaten en naar Balsora te reizen. Hij deelde zijne schoonzuster mede, wat te Caïro in den bruidsnacht zijner dochter was voorgevallen, en hoe verwonderd hij geweest was, toen hij het handschrift zijns broeders in den tulband van diens zoon Bedreddin had gevonden; waarop hij haar zijn' kleinzoon Agib en zijne dochter, Parel van Schoonheid, voorstelde.
Toen de weduwe van Noureddin Ali vernam, dat de geliefde zoon, dien zij reeds zoo lang als dood betreurd had, nog wel in leven kon zijn, verspreidde zich een glans van hoop en van vreugde over haar gelaat. Zij stond op, breidde met moederlijke teederheid de armen naar Parel van Schoonheid uit, en kon niet ophouden Agib te omhelzen en te liefkozen, in wien zij de trekken van haren zoon Bedreddin Hassan herkende: „Mevrouw,” zeide nu Schemseddin Mohammed, „gij ziet, dat thans de tijd daar is, om uw rouwgewaad af te leggen, uwe tranen te droogen en om u gereed te maken ons naar Egypte te vergezellen. De sultan van Balsora heeft mij vrijheid gegeven, u met mij te nemen; en ik twijfel niet, of gij zult daarin toestemmen, zonder dat ik u juist stellig kan beloven, dat wij uw' zoon, mijn waarden neef, zullen wederzien. Mogt dit gebeuren, dan zullen onze lotgevallen waardig zijn beschreven te worden, en voor de nakomelingschap bewaard te blijven.”
De weduwe van Noureddin Ali hoorde dit voorstel met genoegen aan, en liet dadelijk alle toebereidselen tot haar vertrek maken. Intusschen verzocht Schemseddin Mohammed een tweede gehoor bij den sultan, om afscheid van hem te nemen. Deze vorst overlaadde hem met eerbewijzen, en gaf hem een kostbaar geschenk mede voor den sultan van Egypte. Daags daarop verliet de vizier Balsora, en nam andermaal zijn' weg over Damaskus.
Toen Schemseddin Mohammed in de nabijheid van Damaskus kwam, liet hij zijne tenten opslaan voor de poort, waarbij zij aankwamen, en besloot aldaar drie dagen te vertoeven, om zijn gevolg en zijne lastdieren te laten uitrusten, en tevens een en ander te koopen, wat hem het geschiktst zou voorkomen, om den sultan van Egypte, zijn' heer, aan te bieden.
Terwijl de vizier zich onledig hield met het uitzoeken der kostbaarste en zeldzaamste stoffen, welke de voornaamste kooplieden van Damaskus hem in zijn kamp kwamen voorleggen, verzocht Agib, den zwarten slaaf, zijn' leidsman, om met hem naar de stad te gaan, zeggende, dat hij de vorige keer toch lang niet alles had kunnen bezien, en dat hij ook gaarne iets zou willen vernemen van den pasteibakker, dien hij met een' steen gewond had, en waarvan hij altijd nog spijt had gehad. De slaaf stemde hierin toe, en ging met Agib naar de stad, toen deze van zijne moeder daartoe verlof had gekregen. Zij gingen door de paleispoort, die het digtst bij het kamp van den vizier Schemseddin Mohammed was, de stad in. Zij bezochten al de markten en bazars, waar de schoonste en rijkste stoffen waren uitgespreid; tevens bezagen zij de oude moskee der Ommiaden, juist toen de geloovigen tot het middaggebed werden opgeroepen en in menigte daarheen stroomden. Ten laatste kwamen zij ook voorbij den winkel van Bedreddin Hassan, die weder druk bezig was, met roomtaartjes te maken. „Gegroet,” zeide Agib, „bekijk mij eens en gij zult u herinneren, dat gij mij niet voor de eerste maal ziet.” Bij deze woorden sloeg Bedreddin de oogen op hem, en (o wonderlijke kracht van vaderlijk gevoel!) hij werd, toen hij hem herkende, even ontroerd als de vorige maal. Hij stond een' geruimen tijd, zonder een woord te kunnen uitbrengen. Eindelijk tot zich zelven gekomen, zeide hij: „Schoone jongeling! bewijs mij nogmaals de gunst met uw' leidsman in mijn' winkel te komen en van mijne roomtaartjes te proeven. Ik smeek u, mij te vergeven, dat ik u zoo lastig ben gevallen door u tot buiten de stad te volgen; ik was mij zelven geen meester, en wist niet, wat ik deed. Gij trekt mij evenzeer als de noordpool de magneet, zonder dat ik mij rekenschap kan geven van mijne genegenheid, of liever van een mij onbekend teeder gevoel.”
Agib, verwonderd over hetgeen de pasteibakker zeide, gaf ten antwoord: „Uwe vriendschaps-betuigingen zijn overdreven, en ik wil niet in uw huis komen, of gij moet u met een' eed verbinden, mij niet weder te zullen volgen. Indien gij mij dat belooft en als eerlijk man uw woord houdt, kom ik u morgen weder bezoeken, terwijl de vizier, mijn groot-vader, zich bezig houdt met inkoopen te doen voor een geschenk aan den sultan van Egypte.” „Mijn goede jongeheer!” hernam Bedreddin Hassan, „ik zal alles doen, wat gij mij zult bevelen.” Op deze verzekering van den pasteibakker traden Agib en de slaaf den winkel binnen.
Bedreddin haastte zich hun eene roomtaart voor te zetten, welke niet minder keurig was, dan die van vroeger. „Kom,” zeide Agib, „zet u naast mij, en eet met ons.” Bedreddin liet zich dit geen tweemaal zeggen, hij nam plaats naast Agib, en strekte de armen uit, om hem te omhelzen. „Zacht wat,” sprak de kleinzoon van den vizier, hem wegduwende, „gij wordt te gemeenzaam en uwe vriendschap is al te hartelijk. Wees blij, dat ik bij u kom, en gij mij moogt onthalen.” Bedreddin gehoorzaamde, en begon tot lof van Agib een lied te zingen, hetwelk hij zoo maar op het eigen oogenblik vervaardigde. Overigens at of dronk hij niet, maar hield zich uitsluitend bezig zijne gasten te bedienen. Toen zij met eten gedaan hadden, bood hij hun een bekken met water aan, om zich te wasschen, en een zeer fijn servet om de handen af te droogen. Hij kreeg vervolgens eene kan met sorbet, goot daarvan een gedeelte in eene fijne porceleinen kom, verkoelde dezen drank met ijs, en bood Agib de kom aan, zeggende: „Proef dezen drank eens, het is sorbet, zoo heerlijk als deze elders in de geheele stad niet te krijgen is.” Agib dronk met smaak, en gaf de kom aan den pasteibakker terug, die ze nu ook den slaaf aanbood. Goed voorgaan, doet goed volgen, zegt het spreekwoord; maar de zwarte liet het daar niet bij. Hij verbeterde het werk van zijn' jongen meester, en dronk met lange teugen, tot dat de laatste droppel uit de kom was verdwenen.
Geheel verzadigd, verlieten Agib en de zwarte den winkel van hunnen gullen en vriendelijken gastheer, en spoedden zich voort; want, terwijl zij praatten, aten en dronken, was de tijd voorbij gevlogen, zoodat het meer dan tijd voor hen was, om naar het kamp terug te keeren. Daar Agib naar zijne moeder wilde gaan, opdat zij gerust mogt wezen, dat hij in welstand uit de stad was teruggekeerd, rigtten zij zich, toen zij het kamp van Schemseddin Mohammed bereikt hadden, het allereerst naar de tent der vrouwen. De grootmoeder van Agib was ten hoogste verblijd, dat zij hem terug zag, en hem met tranen in de oogen omhelzende, zeide zij: „O mijn zoon! hoe groot zou mijn geluk wezen, indien ik ook uw' vader Bedreddin Hassan zoo aan mijne borst mogt drukken!” Daar de tijd voor den avondmaaltijd aangebroken was, zette men zich aan tafel, en Agib moest naast zijne grootmoeder zitten, die hem een groot stuk roomtaart op zijn bord legde. Ook den zwarte bood zij van haar gebak aan; maar beide waren nog zoo verzadigd, dat zij niets meer gebruiken konden. Agib brak een klein stukje af van hetgeen hem voorgezet was, en schoof toen het overige weg, even als of hij er geen smaak in vond. Schaban (dus heette de slaaf) handelde even zoo.
De weduwe van Noureddin Ali zag met weêrzin hoe weinig smaak haar kleinzoon in hare taart vond. „Hoe, mijn zoon!” zeide zij, „versmaadt gij aldus het door mij zelve toebereide gebak? Hoe kan dat mogelijk zijn, daar ik u verzeker, dat niemand, behalve ik en uw' vader Bedreddin Hassan, aan wien ik mijn geheim heb medegedeeld, in staat is zulke lekkere roomtaarten te maken.” „O! lieve grootmoeder!” riep Agib onbedachtzaam, „veroorloof mij u te zeggen, dat, indien gij geene lekkerder roomtaarten kunt maken dan deze, er hier in de stad een pasteibakker woont, die u in deze kunst overtreft. Wij hebben er zoo even eene bij hem gegeten, die onverbeterlijk was.”
Op deze woorden zag de weduwe van Noureddin Ali den zwarte donker aan. „Wat is dat, Schaban!” sprak zij toornig, „heeft men u het toezigt over mijn' kleinzoon opgedragen, om met hem bij een' pasteibakker te gaan eten, gelijk dit de burgerlieden doen?” „Mevrouw!” antwoordde de slaaf, „wij hebben wel een' banketbakker ontmoet, en een kort onderhoud met hem gehad, maar dit is geheel iets anders dan bij hem in te gaan en daar te eten.” „Gij vergist u,” viel Agib in, „wij zijn wel degelijk in zijn' winkel geweest, en hebben heerlijk van zijne roomtaart gegeten; mij dunkt, zij smaakt mij nog goed!” Zonder een woord meer te zeggen, stond nu de weduwe van Noureddin Ali van tafel op, en begaf zich naar de tent van Schemseddin Mohammed, aan wien zij in niet zeer zachte woorden het wangedrag van den slaaf mededeelde.
Schemseddin Mohammed, opvliegend van karakter, stond dadelijk op, liep naar de tent van zijne schoonzuster, en een' toornigen blik op den slaaf werpende, zeide hij: „Gij ellendeling! Maakt gij op deze wijze misbruik van het in u gestelde vertrouwen!” Schaban, hoewel hij het getuigenis van Agib tegen zich had, bleef echter de daad loochenen. Maar het kind hield het tegendeel staande. „Grootvader!” zeide hij tot Schemseddin Mohammed, „ik verzeker u, dat wij er beide zoo goed gegeten hebben, dat wij het avondmaal wel kunnen missen. De pasteibakker heeft ons daarenboven op eene groote kom sorbet onthaald.” „Hoort gij dit wel, onbeschaamde slaaf,” riep de vizier, „zult gij nu nog ontkennen, dat gij met mijn' kleinzoon bij den pasteibakker gegeten hebt?” Schaban hield vol en zwoer, dat het niet waar was. „Gij zijt een hardnekkige leugenaar,” zeide nu de vizier, „ik geloof mijn' kleinzoon meer dan u. Niettemin, indien gij deze roomtaart die hier op tafel staat, in mijne tegenwoordigheid opeet, zoo zal ik overtuigd zijn, dat gij mij de waarheid gezegd hebt.”
Schaban, hoewel meer dan verzadigd, onderwierp zich aan deze proef; hij nam een stuk van de roomtaart, maar moest het weder uit zijn' mond nemen, daar het hem onmogelijk was het te eten. Hij loog echter al voort, zeggende, dat hij den vorigen dag wat veel had gegeten en daardoor ongesteld was. De vizier, vergramd over deze aaneenschakeling van onwaarheden (want hij hield zich overtuigd van de schuld des slaafs), deed hem nu op den grond werpen en stokslagen geven. Bij deze gevoelige kastijding kon men de zwarte een kwartier uur ver hooren schreeuwen. Zij perste hem dan ook de bekentenis der waarheid af. „Genade, genade!” riep hij uit, „het is waar, dat wij bij een' pasteibakker eene roomtaart gegeten hebben, en dat deze honderdmaal lekkerder was dan die, welke hier op tafel staat.” De weduwe van Noureddin Ali meende, dat Schaban de taart van den pasteibakker alleen daarom boven de hare stelde, om haar te kwellen. Zij besloot er zich van te overtuigen, en zeide tot hem: „Ik kan niet gelooven, dat de roomtaartjes van dien pasteibakker beter zouden zijn dan de mijnen. Ik wil weten, wat daarvan is. Gij weet zijne woning; ga terstond derwaarts, en haal mij eene roomtaart.” Dit zeggende, liet zij den slaaf geld geven, en hij vertrok om zijne boodschap te verrigten. „Nu zal dat wijf, dat mij een pak slagen bezorgd heeft, beschaamd worden,” mompelde Schaban in zich zelven, en den winkel van Bedreddin binnentredende, groette hij hem, en zeide: „Goede vriend, hier is geld. Eene onzer dames wil gaarne uwe roomtaarten proeven, omdat zij niet kan gelooven, dat gij ze zoo lekker kunt bakken; geef er mij dus eene, en gij zult uwe vermaardheid daarin bevestigen.” Bedreddin had juist nog warme en versche, en zocht er de beste uit. „Neem deze,” zeide hij tot den slaaf, „ik sta er voor in, dat zij overheerlijk is, en dat niemand ter wereld ze dus kan maken, dan ik en mijne moeder, die misschien nog in leven is.” Schaban haastte zich met zijne roomtaart naar het kamp, en bood ze glimlagchende de weduwe van Noureddin Ali aan, als ware hij zeker ditmaal in het gelijk gesteld te zullen werden. De weduwe brak nu een stukje van de taart af, doch naauwelijks had zij dit in den mond gestoken en geproefd, of zij gaf een' gil en viel in onmagt.
Schemseddin Mohammed, hierbij tegenwoordig, was zeer verbaasd over deze uitwerking: hij haastte zich echter zijne schoonzuster ter hulp te snellen, en besprenkelde haar gelaat met water. Zoodra de weduwe van Noureddin Ali weder tot zich zelve kwam, riep zij in vervoering uit: „Geloofd zij Allah! niemand kan deze taart gemaakt hebben, dan mijn zoon, mijn lieve zoon Bedreddin Hassan van Balsora.”
Deze uitroep van zijne schoonzuster baarde den vizier Schemseddin Mohammed eene groote vreugde; maar weldra bedenkende, hoe onwaarschijnlijk het was, dat Bedreddin Hassan en de pasteibakker, die deze taart had gebakken, een en de zelfde persoon was, zeide hij tot haar: „Zuster, hoe komt gij toch op die gedachte? Kan er op de wereld geen pasteibakker zijn, die even goede roomtaarten kan maken, als uw zoon?” „Ik ontken niet,” antwoordde zij, „dat er misschien pasteibakkers zullen zijn, die dat kunnen; doch daar ik ze op eene bijzondere wijze maak, en dit geheim aan niemand dan aan mijn' zoon bekend is, zoo ben ik ook ten volle overtuigd, dat hij en niemand anders deze taart gemaakt heeft. Verheugen wij ons, broeder!” vervolgde zij in hare blijdschap, „wij hebben eindelijk gevonden, wien wij zoo lang vergeefs zochten.” „Zuster,” hernam de vizier, „wat ik u verzoeken mag, matig deze blijdschap; wij zullen weldra weten wat wij daarvan moeten gelooven. Wij behoeven den pasteibakker slechts hier te laten komen. Is hij dan Bedreddin Hassan, zoo zult gij en mijne dochter hem spoedig herkennen. Maar het is noodig, dat gij beide u verborgen houdt en hem ziet, zonder door hem ontwaard te worden; want ik wil niet, dat deze herkenning te Damaskus plaats hebbe. Mijn plan is, zulks uit te stellen tot onze terugkomst te Caïro, waar ik mij voorstel u allen eene even verrassende als aangename ontmoeting te verschaffen.”
Dit gezegd hebbende, liet Schemseddin Mohammed de vrouwen in hare tent, en begaf zich naar de zijne. Hier ontbood hij vijftig mannen van zijn gevolg, en beval hun het volgende: „Neem ieder een' knuppel en volg Schaban, die u in deze stad hij een' pasteibakker brengen zal. In diens winkel moet gij alles aan stukken slaan en verbrijzelen. Wil de pasteibakker weten, om welke reden en op wiens bevel gij dit doet, zoo vraagt hem slechts, of hij niet de roomtaart heeft gebakken, welke kort te voren door Schaban bij hem is gehaald. Beantwoordt hij zulks toestemmend, zoo moet gij u van zijn' persoon meester maken, en hem goed gekneveld bij mij brengen. Neemt u echter in acht, hem niet het minste leed te doen. Gaat en verliest geen' tijd.”
Het bevel van den vizier werd trouw nagekomen. Zijne bedienden, met stokken gewapend en geleid door den zwarten slaaf, begaven zich met spoed naar de woning van Bedreddin Hassan, drongen den winkel binnen en begonnen alles aan stukken te slaan, wat hun voorkwam: schotels, ketels, bakpannen, konfituurpotten, vazen enz., zoodat er in zijn' winkel, als het ware, eene overstrooming plaats had van sorbet, room en konfituren. Bedreddin Hassan, de weerlooze getuige van dezen moedwil, was ten hoogste verbaasd en ontsteld. „Goede lieden,” sprak hij op smeekenden toon, „waarom handelt gij dus met mijn goed? Wat heb ik gedaan?” „Hebt gij niet de roomtaart gemaakt, die gij aan dezen zwarte hebt verkocht?” zeiden zij. „Ja, ik zelf heb die gemaakt en gebakken,” gaf hij ten antwoord, „wat heeft men er op te zeggen? Ik daag iedereen uit, wie het ook zijn moge, eene betere te maken.” In plaats van hierop te antwoorden, gingen zij voort alles stuk te slaan, zelfs de oven bleef niet gespaard.
Inmiddels kwamen de buren op het gerucht toeloopen. Zij waren niet weinig verwonderd, dat een vijftigtal met stokken gewapende vreemdelingen zulk eene verwoesting aanrigtten en vraagden naar de oorzaak van deze gewelddadigheid. Bedreddin wendde zich nogmaals tot de plunderaars: „Zegt mij, wat ik u bidden mag,” sprak hij, „welke misdaad heb ik bedreven, dat gij hier dus huishoudt en alles vernielt, wat ik bezit?” „Hebt gij niet,” antwoordden zij, „de roomtaart gemaakt, welke gij aan dezen slaaf verkocht hebt?” „Ja,” hernam hij, „die man ben ik, en ik houd staande, dat de taart goed was, en ik de onregtvaardige behandeling, welke gij mij aandoet, niet verdien.” Zonder hem langer aan te hooren, maakten zij zich nu van zijn' persoon meester, rukten het linnen van zijn' tulband af, bonden hem daarmede de handen op den rug, sleurden hem uit zijn' winkel, en voerden hem in hun midden weg.
De bijeengestroomde menigte, medelijden met Bedreddin hebbende, trok nu echter zijne partij en trachtte hem te ontzetten. Doch op dien oogenblik verscheen de wacht van den gouverneur der stad, dreef het volk uiteen, en bevorderde op die wijze de uitvoering van Bedreddin. De reden hiervan was, dat Schemseddin Mohammed zich naar den gouverneur van Damaskus had begeven, en hem zijne volmagt van den sultan van Egypte vertoond had. De gouverneur, die in naam van den Egyptischen sultan het gebied over geheel Syrië voerde, aarzelde geen ogenblik aan het bevel van zijn' heer te voldoen, en zoo werd Bedreddin, niettegenstaande zijne klagten en zijn geschreeuw, door de lieden van Schemseddin Mohammed weggevoerd en naar diens tent gebragt. Hier liet men hem onder goede bewaking, tot dat de vizier van zijn bezoek bij den gouverneur van Damaskus zou terugkomen.
Zoodra Schemseddin in zijn kamp terugkwam, vraagde hij naar den pasteibakker. Tot antwoord bragt men den gevangene voor hem. „Heer!” sprak Bedreddin met tranen in de oogen, „ik bid u, mij te zeggen, waarin ik u beleedigd heb?” „Ha, ongelukkige!” antwoordde de vizier, „zijt gij het niet, die de roomtaart gemaakt hebt, welke men bij u gehaald heeft?” „Die man ben ik,” zeide Bedreddin, „maar welke misdaad steekt daarin?” „Ik zal u naar verdiensten doen straffen,” hernam Schemseddin Mohammed, „gij hebt het leven verbeurd, omdat gij zulk eene slechte roomtaart gebakken en verkocht hebt.” „Bij Allah!” riep Bedreddin, „wat moet ik hooren? Is het dan eene zoo groote misdaad eene slechte taart te bakken, indien gij ze dan toch voor slecht wilt houden?” „Ja,” antwoordde de vizier, „en gij hebt van mij niets anders dan den dood te wachten.” Onder dit gesprek beschouwden de vrouwen, die in een aangrenzend gedeelte van de tent verborgen waren, Bedreddin met aandacht, en hoewel zij hem in zoo vele jaren niet gezien hadden, herkenden zij hem echter dadelijk. Hare vreugde was zoo groot, dat zij in zwijm vielen. Toen zij weder tot zich zelve gekomen waren, wilden zij Bedreddin omhelzen, doch de belofte, welke zij aan den vizier gedaan hadden, van zich niet te vertoonen, weerhield haar, aan dit verlangen toe te geven.
Daar Schemseddin besloten had nog dien zelfden nacht te vertrekken, deed hij de tenten opbreken en de wagens in gereedheid brengen. Bedreddin werd in een' grooten reiskoffer, waarin men eenige luchtgaten gemaakt had, gesloten, en op den rug van een' kameel geladen. Zoodra dit alles gereed was, begaf men zich op weg en reisde het overige van den nacht en den volgenden dag zonder ophouden door. Eerst den daarop volgenden avond liet de vizier halt houden. Bedreddin Hassan werd nu uit zijne enge gevangenis bevrijd, ten einde eenig voedsel te gebruiken, waarbij men echter zorg droeg, hem buiten het gezigt van zijne moeder en van zijne vrouw te houden. Zoodra men weder op weg ging, werd hij op nieuw in zijn' koffer gesloten. Op deze wijze handelde men met hem gedurende de twintig dagen, dat de reis duurde.
Toen men Caïro naderde, liet de vizier Schemseddin Mohammed zijne tenten in den omtrek der stad opslaan, en Bedreddin andermaal voor zich brengen. Daarop een' timmerman ontboden hebbende, zeide hij tot dezen, in tegenwoordigheid van den ongelukkigen gevangene: „Ga, haal hout, en rigt mij eene galg op!” „Wel, Heer!” sprak Bedreddin bevende, „wat denkt gij met die galg uit te rigten?” „U er aan op te hangen,” antwoordde de vizier, „en u zoo de gansche stad te laten ronddragen, terwijl men voor u uit zal roepen: „Zie hier, hoe men handelen moet met een' onwaardigen pasteibakker, die roomtaarten maakt zonder er peper in te doen.”” „Groote hemel!” riep thans Bedreddin Hassan, op een' zoo koddig jammerenden toon, dat Schemseddin Mohammed moeite had ernstig te blijven, „omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb, zal men mij zulk een' wreeden en schandelijken dood doen ondergaan!”
Bedreddin Hassan hield niet op met klagen. „Helaas!” vervolgde hij, „hoe is het mogelijk, dat men in mijne woning alles vernielt en stuk slaat, mij als gevangene in een' koffer opsluit, en mij nu aan de galg wil hangen, alleen, omdat ik geene peper in eene roomtaart gedaan heb? Regtvaardige hemel! Wie heeft ooit zoo iets gehoord! Zijn dat daden van Muzelmannen, van lieden, die zich op vroomheid en geregtigheid beroemen?” Bij deze woorden borst hij in tranen uit, tot hij weder zijn kermen liet hooren. „Neen, nooit werd iemand zoo gestreng en zoo onregtvaardig behandeld! Kan het mogelijk zijn, dat men een' mensch het leven beneemt, omdat hij geene peper in eene roomtaart heeft gedaan? Verwenscht mogen dan alle roomtaarten zijn, en verwenscht het uur, waarin ik geboren werd! Mogt het den hemel behagen, dat ik op dit oogenblik stierve!”
De troostelooze Bedreddin hield niet op met jammeren; en toen men de galg bragt, en er hem aan vast wilde maken, schreeuwde hij het uit. „O Allah!” kreet hij, „kunt gij toelaten, dat ik dus schandelijk en smartelijk zal sterven? En voor welke misdaad? Het is niet om diefstal of doodslag, of om het verloochenen van mijn geloof; het is om niets anders dan, omdat ik in eene roomtaart geene peper gedaan heb!”
Daar het inmiddels donker was geworden, liet Schemseddin Mohammed zijn schoonzoon Bedreddin weder in den koffer sluiten, en riep hem toe: „Blijf daar tot morgen; die dag zal echter niet ten einde zijn, of gij zult de doodstraf ondergaan hebben.” Terstond daarna gaf de vizier last om op te breken en het was reeds geheel donker, toen hij te paard gezeten, aan het hoofd van zijn gevolg, Caïro binnentrok met den kameel, die den koffer droeg, waarin zijn neef zich bevond. Op dit late uur waren er bijna geene menschen op straat, zoodat Schemseddin Mohammed zijne woning bereikte, zonder dat er eenigen toeloop van volk plaats had. Zoodra hij zich ten zijnent bevond, werd de koffer afgeladen en op eene door den vizier aangewezen plaats gebragt, met streng verbod hem zonder zijn bevel te openen.
Terwijl nu zijn gevolg de kameelen ontlaadde, nam de vizier de moeder van Bedreddin Hassan en zijne dochter alleen, en zeide tot haar: „Allah zij geloofd, mijne dochter, dat Hij ons zoo ongedacht uw' neef en man heeft doen wedervinden. Gij zult u waarschijnlijk nog kunnen herinneren, hoe uwe slaapkamer er uitzag, toen gij er den eersten huwelijksnacht doorbragt; ga en laat alles weder in de zelfde orde brengen als zulks toen geweest is. Mogt gij dit soms niet goed meer weten, zoo behoeft gij mij slechts te vragen, want ik heb alles opgeteekend. Ik zal voor al het overige zorg dragen.” Parel van Schoonheid deed met blijdschap, wat haar vader bevolen had, en terwijl zij hiermede bezig was, droeg de vizier zorg de groote zaal juist zoo te laten inrigten, als toen zich Bedreddin Hassan daar bevond met den gebogchelden stalknecht van den sultan van Egypte. Van het geschrift, waarop hij zijne aanteekeningen had, las hij zijnen dienstboden voor, hoe en waar zij elk meubelstuk moesten plaatsen. De troon en ontstoken waskaarsen werden hierbij niet vergeten, en toen de zaal het zelfde feestelijk aanzien verkregen had, als voor tien jaren, begaf Schemseddin Mohammed zich naar de kamer van zijne dochter. Ook daar alles gereed vindende, legde hij de kleederen en de beurs met sequinen van Bedreddin weder op den stoel vóór het bed. Hierop zeide hij tot Parel van Schoonheid: „Ontkleed u, dochter, en leg u te bed. Wanneer Bedreddin zal binnenkomen, moet gij u beklagen over zijn lang uitblijven en zeggen, dat gij bij uw ontwaken zeer verwonderd waart, hem niet aan uwe zijde te vinden. Dring er op aan, dat hij zich weder bij u nederlegge, en morgen ochtend zult gij uwe schoonmoeder en mij genoegen doen, door ons mede te deelen, wat er dezen nacht tusschen u beiden is verhandeld.” Dit gezegd hebbende, verliet de vizier de kamer zijner dochter, om haar verder ongestoord te laten.
Naar de zaal gaande, deed Schemseddin Mohammed al de dienstboden vertrekken, slechts twee of drie uitgezonderd. Aan deze droeg hij den last op, Bedreddin uit zijn' koffer te halen, van zijne bovenkleederen te ontdoen, en hem zoo in de zaal te brengen, waar zij hem alleen moesten laten, en de deur achter zich sluiten.
Bedreddin Hassan, hoezeer ook van droefheid overstelpt, was zoo vast ingesluimerd, dat de dienstboden van den vizier hem uit den koffer konden nemen en ontkleeden, zonder dat hij daardoor ontwaakte. Toen namen zij hem op, en bragten hem zoo gezwind naar de zaal, dat hij, door deze beweging uit zijn' slaap gewekt, den tijd niet had tot bezinning te komen. Alleen in de zaal zijnde, liet hij, hoewel half verblind door het licht der waskaarsen, zijne oogen overal rond gaan; alles wat hij hier zag, herinnerde hem aan zijn' eersten huwelijksnacht. Hij zag met niet geringe verwondering, dat hij zich in de zelfde zaal bevond, waar hij den gebogchelden stalknecht had aangetroffen. Maar hoe zeer klom zijne verbazing, toen hij, de zaal rondgaande, de deur van een aangrenzend vertrek, dat hem even zeer bekend voorkwam, half open zag staan, en naar binnen glurende, bij het aldaar brandende licht, op den stoel voor een prachtig ledekant, zijne kleederen zag liggen, juist zoo als hij deze in zijn' huwelijksnacht had afgelegd. „Goede hemel!” sprak hij in zich zelven, „droom of waak ik?”
Nadat Parel van Schoonheid zich eenige oogenblikken met zijne verlegenheid vermaakt had, opende zij eensklaps de gordijnen van het ledekant, en stak haar hoofd er buiten. „Beste man!” sprak zij op teederen toon, „wat doet gij daar bij de deur? Kom weder te bed! Gij moet reeds een' geruimen tijd afwezig zijn geweest. Toen ik zoo straks ontwaakte, was ik zeer verwonderd u niet bij mij te vinden.” Bedreddin wist niet meer hoe hij het had. Was het tooverij of een blijde droom; dit kon hij zich niet verklaren! Bedrogen hem zijn gehoor en gezigt niet, dan kwam die liefelijke stem uit den schoonen mond van de zelfde beminnelijke vrouw, bij wie hij zich herinnerde een zoo korten maar aangenamen tijd te hebben doorgebragt. Hij trad de kamer binnen, maar zijne gedachten waren zoo vervuld met alles, wat hem was overkomen, dat hij maar niet begrijpen kon, hoe zoo iets in een' enkelen nacht kon gebeuren. In plaats dus van zich te bed te begeven, liep hij naar den stoel, waarop zijne kleederen lagen, en bezag die het een na het ander. „Bij Allah!” riep hij eindelijk uit, „ziedaar zaken, waarvan ik niets begrijpen kan; mijn verstand staat er bij stil!” Zijne echtgenoot vermaakte zich met zijne verlegenheid. „Maar, lieve Bedreddin!” sprak zij, „waarmede houdt gij u toch bezig? Moet ik u nogmaals verzoeken, u weder ter ruste te begeven!” Nu naderde hij Parel van Schoonheid en zeide: „Zeg mij toch in 's hemels naam, is het reeds lang geleden, dat ik bij u was?” „Dit is eene zonderlinge vraag,” antwoordde zij, „is er wel een uur verloopen, sedert gij van mijne zijde zijt weggegaan? Gij moet zeer veel in het hoofd hebben, dat gij zoo verward van gedachten zijt.” „Het is waar,” hernam Bedreddin, „dat het hoofd mij omloopt; ik herinner mij, wel is waar, bij u te zijn geweest; maar het heugt mij ook, dat ik sedert tien jaren te Damaskus heb gewoond. Indien ik nu dezen nacht werkelijk bij u was, hoe kan ik dan zoo vele jaren van u gescheiden zijn geweest? Dat zijn twee zaken, die niet te zamen kunnen gaan; zeg mij dus, bid ik u, wat ik hiervan moet denken. Is mijn huwelijk met u slechts een spel van mijne verbeelding, of is mijne afwezigheid een droom?” „Gij hebt,” hernam Parel van Schoonheid, „zeker gedroomd, dat gij te Damaskus waart.” „In dat geval,” riep Bedreddin Hassan schaterend lagchend uit, „is niets wonderlijker, en ik ben verzekerd, dat die droom u zeer vermakelijk zal toeschijnen. Verbeeld u, dat ik mij, zoo als gij mij thans ziet, voor de poort van Damaskus bevond; dat ik de stad binnen ging onder de bespotting eener volksmenigte, welke mij volgde en allerlei smaad aandeed; dat ik de wijk nam bij een pasteibakker, die mij, na mij tot zoon te hebben aangenomen, zijn bedrijf leerde, en mij bij zijn overlijden al zijne goederen naliet; dat ik hem in zijn beroep opvolgde, en daarmede veel naam maakte, zoodat mijne roomtaarten door de geheele stad Damaskus vermaard waren. In één woord, er zijn mij nog eene menigte zaken overkomen, te veel om u te verhalen; het eenigste, wat ik u nog te zeggen heb, is, dat ik zeer wijs heb gedaan met wakker te worden, daar men mij zonder dit weldra aan de galg zou hebben vastgemaakt.” „En waarom dat?” vroeg Parel van Schoonheid, de verwonderde spelende. „Gij moet u dan wel aan eene vreeselijke misdaad schuldig hebben gemaakt?” „Volstrekt niet,” hernam Bedreddin, „het was om de bespottelijkste zaak der wereld. Mijne geheele misdaad bestond daarin, dat ik eene roomtaart had verkocht, waarin ik geene peper had gedaan.” Parel van Schoonheid lag in haar bed te schudden van lagchen. „Dan, dan,” stotterde zij tusschen het lagchen door, „moet ik toestemmen, dat men u eene groote onregtvaardigheid aandeed.”
„O! gij weet nog niet alles,” hernam Bedreddin, „om die verwenschte roomtaart, waarin men mij verweet geene peper te hebben gedaan, heeft men alles wat in mijn' winkel was stuk geslagen en vergruisd; men heeft mij met touwen gebonden, en in een' koffer opgesloten, waarin ik zoo eng zat, dat ik mij verbeeld, het nog aan mijne ineengedrongen leden te kunnen voelen. Ten laatste deed men een' timmerman komen, en men gelastte hem, in mijne tegenwoordigheid, eene galg, op te rigten, om er mij aan op te hangen. Doch Allah zij geloofd, dat dit alles slechts het werk van een' droom is!” „Wel is dat gelukkig,” zeide Parel van Schoonheid, met een zoo beminnelijk lachje, dat Bedreddin voor het oogenblik al zijn doorgestaan of, gelijk hij thans dacht, gedroomd lijden scheen vergeten te hebben, en slechts aan zijn tegenwoordig geluk dacht. Nogtans bragt hij den nacht niet zeer rustig door; hij ontwaakte van tijd tot tijd, en vroeg telkens zich zelven af, of hij droomde of waakte. Hij mistrouwde zijn tegenwoordig geluk, deed nu en dan de gordijnen open, en liet zijne oogen door de kamer rondgaan. „Ik kan mij niet bedriegen,” mompelde hij, „het is wel de zelfde kamer, waarin ik, in plaats van den gebogchelde, ben binnen getreden, en het is de voor hem bestemde schoone, die aan mijne zijde slaapt.” Maar alles stond hem zoo verward voor den geest, dat zelfs de dag, die nu aanbrak, zijne ongerustheid niet geheel kon wegnemen, toen zijn oom, de vizier Schemseddin Mohammed, aan de deur tikte en onmiddelijk daarop binnen trad, om zijne kinderen een' goeden morgen te wenschen.
Bedreddin Hassan was ten hoogste verwonderd, zoo plotseling den zelfden man voor zich te zien, dien hij zoo wel kende, doch die hem nu niet met het gelaat en de stem van een' gestrengen regter toesprak, maar hem vriendelijk groette. „Ha!” riep hij uit, „gij zijt het dan, die mij zoo onwaardig behandeld, en tot een' dood veroordeeld hebt, die mij nog gruwen doet, om eene roomtaart, waarin ik geene peper had gedaan?” De vizier begon te lagchen, en om hem uit den droom te helpen, verhaalde hij hem, hoe hij door tusschenkomst van een' geest (want de mededeeling van den gebogchelde had hem het geheele voorval doen raden) daar gebragt was, en, in plaats van den gebogchelden stalknecht des sultans, zijne dochter getrouwd had. Hij verzweeg ook niet, hoe hij hem, door het handschrift van Noureddin Ali, had leeren kennen als de zoon zijns broeders, en dat hij vervolgens van Caïro naar Balsora was gereisd om berigt omtrent hem in te winnen. „En nu, beminde neef!” vervolgde hij, hem teeder omhelzende, „moet ik u nog vergiffenis vragen voor alles, wat ik u heb doen lijden, nadat ik u te Damaskus herkend had. Ik wilde u hier brengen, alvorens u met uw geluk bekend te maken, hetwelk gij op te hooger prijs zult stellen, naarmate het u moeite heeft gekost het te verkrijgen. Troost u over al uw lijden en de uitgestane angst, door de blijdschap, welke gij zult smaken, dat gij u terug ziet gegeven aan allen, die u op aarde lief en dierbaar moeten zijn. Terwijl gij u kleedt, zal ik uwe moeder, die van ongeduld brandt om u te omhelzen, gaan waarschuwen; en ik zal u uw' zoon brengen, dien Agib, welken gij te Damaskus gezien hebt, en voor wien gij zulk eene sterke genegenheid hebt gevoeld, zonder den band des bloeds te kennen, die tusschen u en hem bestaat.”
Het is met geene woorden uit te drukken, hoe groot de vreugde van Bedreddin was, toen hij zijne moeder en zijn' zoon Agib zag. Deze drie personen hielden niet op elkander te omhelzen en de teederste blijken van genegenheid te geven, want de stem des bloeds sprak luide in hunne blijde harten. De moeder van Bedreddin had de treffendste zaken mede te deelen; zij sprak hem over de droefheid, welke zijne lange afwezigheid haar veroorzaakt, en van de tranen, die zij om hem gestort had. In plaats van, zoo als te Damaskus, de liefkozingen zijns vaders af te wijzen, ontving de jeugdige Agib die thans met vreugde, en bewees ze hem wederkeerig. Bedreddin Hassan gevoelde zich, na een tienjarig leven vol zorgen en kommer, thans des te gelukkiger, en verdeelde zijne liefde tusschen de drie personen, die hem zoo dierbaar waren: zijne moeder, zijne vrouw Parel van Schoonheid, en zijn' zoon Agib. Voor zijn' oom Schemseddin Mohammed koesterde hij de meeste achting; maar mogt hij hem de verregaande kwellingen, hem gedurende de reis van Damaskus naar Caïro aangedaan, vergeven, nooit werd hij zoo vertrouwelijk met hem, als men anders van een' neef en schoonzoon zou mogen verwachten.
Inmiddels had de vizier zich naar het paleis van den sultan begeven, om hem den gelukkigen uitslag zijner reis mede te deelen. De sultan was zoo ingenomen met het verhaal van deze wondervolle geschiedenis, dat hij die deed opschrijven en bij de archieven van zijn koningrijk liet bewaren. Zoodra Schemseddin Mohammed in zijne woning terugkwam, zette hij zich met zijne familie aan den feestelijk toebereiden disch, die met de keur van de fijnste spijzen overladen was, en zijn geheele huis bragt dien dag in vreugde door.”
Nadat de groot-vizier Giafar de geschiedenis van Bedreddin Hassan aldus ten einde had gebragt, zeide hij tot den kalif Haroun-al-Raschid: „Beheerscher der geloovigen, ziedaar hetgeen ik uwe majesteit te verhalen had.” De kalif vond deze gebeurtenissen zoo wonderbaar, dat hij aan zijn' vizier de vergiffenis voor zijn' slaaf Rihan zonder aarzelen toestond. Ook het lot van den jongen man trok deze vorst zich aan. Om hem te troosten, dat hij zich zelven op zulk eene ongelukkige wijze van eene vrouw beroofd had, welke hij teeder beminde, deed hij hem huwen met eene van zijne slavinnen, overlaadde hem met goederen, en bleef hem genegen tot aan zijn' dood.
Story DNA
Moral
Even in the face of injustice and despair, truth and fate will ultimately prevail, leading to unexpected resolutions.
Plot Summary
Caliph Haroun-al-Raschid discovers a murdered woman's body and gives his Grand Vizier Giafar three days to find the killer. As Giafar faces execution, a young man and then an old man confess. The old man reveals he killed his wife over a misunderstanding involving three apples and a lie from his slave, Rihan. The Caliph demands to know Rihan's full story, leading Giafar to recount the epic tale of Bedreddin Hassan, a man separated from his family for ten years due to a series of misadventures and mistaken identities. Ultimately, Bedreddin is reunited with his wife, mother, and son, and the Caliph, moved by the complex narrative, grants pardons and ensures the happiness of all involved.
Themes
Emotional Arc
suffering to triumph
Writing Style
Narrative Elements
Cultural Context
The story is set during the reign of Haroun-al-Raschid, a historical Abbasid Caliph (786-809 AD), famous for his patronage of arts and sciences, and often featured in the One Thousand and One Nights collection.
Plot Beats (10)
- Caliph Haroun-al-Raschid, disguised, finds a poor fisherman and rewards him for a final cast, which yields a locked chest.
- The chest contains the dismembered body of a young woman, enraging the Caliph, who gives his Grand Vizier Giafar three days to find the killer or face death with forty relatives.
- Giafar's search is fruitless, and as he and his relatives are about to be executed, a young man confesses to the murder.
- Immediately after, an old man also confesses, claiming to be the true murderer, leading to a confrontation between the two confessors.
- The old man reveals the story of the three apples: he bought three rare apples for his pregnant wife, but she ate one while ill, and his slave Rihan claimed she gave it to a sick man.
- Enraged by perceived infidelity, the old man killed his wife, only to discover later that his son had taken the apple from Rihan, who then lied to cover his mistake.
- The old man, realizing his tragic error, confesses to the Caliph, who then demands to know why Rihan lied, leading to Rihan's confession and the Caliph's demand for the full story of the wife's life.
- Giafar then recounts the long, complex story of Bedreddin Hassan, his separation from his family, his adventures as a pastry chef in Damascus, and his eventual reunion with his wife, mother, and son.
- Bedreddin Hassan, having been tricked into believing his decade-long ordeal was a dream, awakens to find his family reunited and his uncle, the Vizier Schemseddin Mohammed, explaining the truth.
- The Caliph, deeply moved by Bedreddin's story, pardons Rihan, rewards the young man who initially confessed, and ensures the happiness of all involved, recording the tale for history.
Characters
Haroun-al-Raschid
A man of imposing stature, likely with a well-maintained beard, reflecting his status as a powerful ruler. His build would be robust, suggesting a life of authority and perhaps some indulgence.
Attire: When disguised, he wears simple, unadorned robes of common fabric to blend in with the populace. In his palace, he would wear luxurious, flowing silk thobes, possibly embroidered with gold thread, a jeweled turban, and fine leather slippers, reflecting his immense wealth and power as Caliph of Baghdad.
Wants: To ensure justice and good governance in his city, to understand the true state of his people, and to maintain his authority and reputation.
Flaw: Impatience and a quick temper, leading to rash judgments and severe threats without full information.
He learns the value of patience and thorough investigation through Giafar's ordeal, and ultimately shows mercy and rewards those who serve him well.
Curious, just (though sometimes impulsively harsh), powerful, decisive, and prone to fits of anger. He is concerned with the welfare of his subjects but demands swift action and results.
Giafar
A man of dignified bearing, likely of average height and build, reflecting his intellectual and administrative role rather than physical prowess. His features would be refined, suggesting a life of study and courtly service.
Attire: When disguised, he wears simple, practical robes. In his official capacity, he wears elegant, well-tailored silk robes in rich, deep colors, perhaps a dark green or maroon, with subtle embroidery, a matching turban, and fine leather shoes. His attire is less ostentatious than the Caliph's but clearly denotes high status.
Wants: To serve his Caliph faithfully, to solve complex problems, and to protect his family and his own moral integrity.
Flaw: Can be overwhelmed by the Caliph's unreasonable demands and the pressure of his position.
He faces an existential threat due to the Caliph's rash judgment but ultimately uses his wisdom and storytelling ability to save himself and his family, reaffirming his value to the Caliph.
Loyal, intelligent, resourceful, compassionate, and deeply ethical. He is burdened by the Caliph's demands but strives to uphold justice without compromising his conscience.
Masrour
A strong, silent figure, likely tall and muscular, befitting his role as chief of the eunuchs and bodyguard. His movements would be efficient and disciplined.
Attire: When disguised, simple, dark robes. In his official capacity, practical but finely made robes that allow for ease of movement, perhaps in dark, muted colors, with a simple turban. He might wear a wide, sturdy belt.
Wants: To serve and protect the Caliph.
Flaw: Lack of independent thought; strictly follows orders.
Remains a steadfast and unchanging figure, serving his Caliph.
Loyal, obedient, silent, efficient, and watchful. He executes commands without question.
The Fisherman
A long, thin grijsaard (old man) with a stooped posture from years of labor. His hands would be calloused and weathered from handling nets. He appears frail but possesses a surprising resilience.
Attire: Wears simple, patched, and worn linen robes in muted, earthy tones, perhaps a faded brown or grey. He has a large fishing net draped over his head and shoulders, and carries a basket woven from palm leaves.
Wants: To provide for his wife and children; to escape poverty.
Flaw: His extreme poverty and exhaustion make him vulnerable.
Briefly encounters the Caliph and is rewarded, providing the initial catalyst for the main mystery.
Poor, weary, humble, hopeful, and easily moved by the prospect of reward.
Locations
Caliph Haroun-al-Raschid's Palace
A grand Abbasid-era palace in Baghdad, likely featuring intricate geometric tile mosaics, muqarnas vaults, and possibly a central courtyard (riad) with a fountain. It has a secret door for discreet exits.
Mood: Regal, secretive, powerful, later tense and urgent
The Caliph and Vizier depart for their incognito walk; the mysterious chest is opened here, revealing the murdered woman; the Vizier is given three days to find the murderer.
Narrow Alley in Baghdad
A confined, winding street within the city of Baghdad, likely lined with mud-brick or stone buildings, possibly with overhanging upper stories creating shade. The ground would be uneven earth or rough cobblestones.
Mood: Gritty, humble, observant
The Caliph and Vizier encounter the poor fisherman.
Banks of the Tigris River
The muddy or sandy banks of the wide Tigris river, likely with some reeds or sparse vegetation. The river itself would be dark and flowing, reflecting the night sky.
Mood: Mysterious, foreboding, expectant
The fisherman casts his net and retrieves the mysterious chest.